Maandelijks archief: mei 2015

Kwetsbare verzorgingsstaat – Over juridische aspecten van ernstige armoede in Nederland

Kwetsbare verzorgingsstaat

Over juridische aspecten van ernstige armoede in Nederland

Gijsbert Vonk

Deze bijdrage gaat in op juridische beperkingen die in de weg staan aan een beroep op het sociale vangnet voor de allerarmsten. Het gaat hierbij om categorische uitsluitingen, drempels in de wet en de uitvoeringspraktijk en de gevolgen van een rigide handhavingsbeleid. Hierdoor raken kwetsbare personen afhankelijk van allerlei restvoorzieningen, zoals de maatschappelijke opvang, de bed-bad-broodregelingen en de voedselbank. De kwaliteit van dit ‘vangnet onder het vangnet’ is niet om over naar huis te schrijven: juridisch slecht gearticuleerd, versnipperd en vatbaar voor erosie. Wat kan worden gedaan om de kwaliteit van het vangnet voor de allerarmsten te verbeteren?

  1. Inleiding

Na mijn vorige NJB-bijdragen over de lokale verzorgingsstaat 1 en de repressieve verzorgingsstaat2 voltooi ik met deze bijdrage over de kwetsbare verzorgingsstaat de trilogie over hedendaagse ontwikkelingen in het stelsel van sociale zekerheid.

We gaan het in deze bijdrage niet hebben over de aandeelhouder, bankier of commissaris, noch over de gewone hardwerkende Nederlander, maar over de langdurige werkloze, de zwerver, de dakloze, de junk, de dropout, de onaangepaste, de schuldenaar, de ‘fraudeur’, de moeilijk hanteerbare jongere, de uitgeprocedeerde asielzoeker, kortom al diegenen die ergens in hun leven op een zijspoor terecht zijn gekomen of voor wie de bus niet wilde stoppen. De bijstand is voor hen al lang niet meer het laatste vangnet zoals dat in de boeken beschreven staat. Voor velen geldt dat ze een beroep moeten doen op een sub-minimaal stelsel van aanvullende statelijke en (al dan niet gesubsidieerde) private voorzieningen: toeslagen, opvang voor dak- en thuislozen, bed- bad-broodregelingen, verslaafdenzorg, het Leger des Heils, de voedselbank, de familie en de kerk. Het belang van dit ‘vangnet onder het vangnet’ is groeiende, maar de kwaliteit ervan is gebrekkig. Het stelsel is beperkt toegankelijk, versnipperd, juridisch slecht gearticuleerd en vatbaar voor erosie. Vandaar de verwijzing in de titel naar een ‘kwetsbare verzorgingsstaat’.

Maar de kwetsbaarheid heeft ook betrekking op de situatie van behoeftigen die afhankelijk zijn van het sub-minimale vangnet. Voor de doeleinden van deze bijdrage identificeer ik hun situatie met de staat van ernstige armoede (paragraaf 2). Doelstelling van deze bijdrage is na te gaan in hoeverre het recht zelf een factor is die deze vorm van kwetsbaarheid in de hand werkt (paragraaf 3), welke juridische en organisatorische tekortkomingen bestaan in het vangnet voor kwetsbare groepen (paragraaf 4) en welke verbeteringen gerealiseerd kunnen worden om de kwetsbare verzorgingsstaat te harnassen (paragraaf 5). Gedacht kan worden aan het herwaarderen van de bijstand als universeel vangnet, het expliciteren van het (sociaal)grondrechtelijk toetsingskader of zelfs de invoering van EU-maatregelen voor de bescherming van kwetsbare personen. In het laatste deel van deze bijdrage wordt hiertoe een aantal mogelijkheden aangestipt.

  1. Ernstige armoede: aard en omvang van het probleem

Het definiëren van armoede is een eigen tak van sport. Talloze benaderingen en technieken concurreren voor de eer het armoedeverschijnsel in kaart te brengen. Er zijn absolute armoedegrenzen die uitgaan van vaste bedragen, relatieve armoedegrenzen die nagaan wat het besteedbaar inkomen is (bijvoorbeeld ‘de relatieve-deprivatieindex’) en subjectieve armoedegrenzen die meten wat de beleving van armoede is. Om uit deze wirwar van benaderingen te komen, spraken Europese leiders in 2001 tijdens de top van Laken een gemeenschappelijke norm af. Iedereen met een inkomen van minder dan 60% van het mediane inkomen van een land wordt beschouwd als arm en vatbaar voor sociale uitsluiting. De Nederlandse norm voor het sociaal minimum (70% en 50% van het minimumloon voor respectievelijk een alleenstaande en een gehuwde) wijkt hier overigens niet veel van af. Volgens deze Lakenindicator is momenteel maar liefst 24 procent van alle Europeanen (ruim 120 miljoen mensen) arm.3

De SCP houdt sinds 1997 een eigen armoedemonitor bij, tegenwoordig het armoedesignalement geheten.4 Volgens het laatste signalement van 2014 waren er in Nederland nog nooit zo veel armen als nu. Van de zeven miljoen huishoudens moesten er 726.000 rondkomen (10.3 procent) rondkomen van een inkomen onder de armoedegrens. Daarmee is sinds 2008, het jaar van het uitbreken van crisis, de armoede inmiddels met een derde gestegen.

Als je het net maar breed genoeg maakt, vang je vanzelf voldoende vissen, hoor ik de cynicus denken. Het is inderdaad de vraag wat deze ruime armoedegrens zegt over de mate waarin de betrokkenen in de problemen zitten of kwetsbaar zijn. Om de omvang van deze groep in kaart te brengen worden weer andere begrippen gehanteerd, zoals ‘destitution’ en ‘severe material deprivation’; in deze bijdrage zeggen we: ernstige armoede. In Europa wordt de omvang van deze groep geschat op 9 procent van de bevolking. In ons eigen land hanteert het SCP een eigen norm, te weten die van het basisbudget. Het gaat hier om het geld dat nodig is om de meest essentiële goederen aan te schaffen zoals kleding, energiekosten, voedsel etc. maar met uitsluiting van op bezoek gaan, hobby, vakantie of bibliotheek. 5.4 procent van de bevolking leeft op of onder dit niveau. In 2007 lag het percentage nog op 3.7. 5

De uiterste vorm van ernstige armoede is dak- en thuisloosheid. Het gaat hierbij om mensen die zwerven van het ene adres naar het andere, een beroep moeten doen op de nachtopvang of hun tijd doorbrengen in portieken, parken en parkeergarages. Voor zover ze daar niet worden weggejaagd. De omvang van de daklozenpopulatie is niet bekend, aangezien een deel ervan zich aan ons gezichtsvermogen onttrekt. Het verschijnsel is under the radar zoals men zegt. Europese schattingen lopen uiteen al naar gelang de definities die men hanteert. In ons land houdt het CBS een schatting bij. Volgens de laatste cijfers van december 2013 waren er 27.000 daklozen. 6 Twee jaar eerder waren dat er 5.000 minder. De helft van de daklozen is (hoofdzakelijk niet-westers) allochtoon, de helft verblijft in de grote steden, de meerderheid zijn mannen van de middelbare leeftijd. Van de groep daklozen vrouwen is het grootste deel jonger dan 30 jaar.

  1. Recht als oorzaak van kwetsbaarheid

Het socialezekerheidsstelsel speelt een belangrijke rol in het bestrijden van armoede. Dat is ook een van de doelstellingen van dit stelsel, de zogenoemde waarborgfunctie. Volgens Europese statistieken wordt door het socialezekerheidsstelsel het armoederisico met 37% verminder .7 In Nederland ligt het percentage op 50%. Dit soort EU-statistieken hebben iets ongenaakbaars. Je weet ook niet welke veronderstellingen en variabelen er precies aan ten grondslag liggen.

Maar we kunnen het ons ook anders voorstellen. In ons land fungeert de bijstand op grond van de Participatiewet in theorie als financiële vangnet onder het stelsel. In verband met dit vangnetkarakter kun je zelfs bijstand krijgen als je er geen recht op hebt. Dit is de noodbijstand uit hoofde van art. 16 Participatiewet: “aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college (…) bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken”. Bijzondere bescherming voor specifieke behoeften wordt ook geboden, al dan niet in natura of in geld. Deze bescherming wordt geregeld in bijzondere regelingen zoals de Wmo 2015, de Wet langdurige zorg, en allerlei toeslagenregelingen voor wonen, zorg, kinderen en studeren. Deze voorzieningen voor de minima hebben een universeel karakter, dat wil zeggen, ze staan in beginsel open voor de gehele in Nederland woonachtig en/of werkzame bevolking. We zouden nu kunnen zeggen dat voor zover een persoon toegang heeft tot (nood)bijstand en bijzondere voorzieningen voor specifieke behoeften, er juridisch gesproken van armoede geen sprake is: de betrokkene leeft op het sociale minimum dat in Nederland is afgesproken.

Feitelijk maakt echter lang niet iedereen gebruik van de minimumvoorzieningen. Het kan zijn dat gerechtigden nalaten uitkeringen aan te vragen, een situatie die wordt aangeduid met de term niet-gebruik8, of er zijn juridische beperkingen die de toegang tot het stelsel in de weg staan. Als dan de bijstand als bodem er tussen uitvalt, raakt de behoeftige afhankelijk van de resterende bijzondere voorzieningen waarvan het maar de vraag is of daar in alle gevallen een beroep op kan worden gedaan. In dat geval dreigt het risico van ernstige armoede. Om de juridische beperkingen die de toegang tot het stelsel in de weg staan, is het mij hier te doen. We nemen een aantal ervan onder de loep.

  1. Categorische uitsluitingen

De meest in het oog springende, juridische beperking is de consequente uitsluiting van niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen, niet alleen van de sociale verzekeringen en de reguliere bijstand, maar zelfs van de noodbijstand ex art. 16 van de Participatiewet en van de toegang tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Deze uitsluiting heeft nu al 15 jaar lang het rechtssysteem op scherp gezet. Het categorisch ‘nee’ van de Koppelingswet blijkt niet houdbaar. In de rechtspraak werden uitzonderingen geformuleerd voor personen in medische nood en voor kinderen.9 Opmerkelijk genoeg heeft dit niet geleid tot heropname van de desbetreffende groepen in het (nood)bijstandsstelsel. Voor kinderen van niet-rechtmatig verblijvende ouders zijn twee ‘gezinslocaties’ in het leven geroepen waar men mag verblijven, een in Katwijk en de andere in Amersfoort. Personen in een medische noodsituatie zijn aangewezen op een individueel besluit van de gemeente om de deuren van de maatschappelijke opvang uit hoofde van de Wmo te openen. Voor andere niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen is nog steeds geen enkele opvang geregeld, anders dan het verblijf in het uitzetcentrum. Daar gaan de meesten liever niet naar toe. In plaats daarvan trekt men rond tussen zelf-gefabriceerde tentenkampen, asielkerken en vluchtgarages.

Juridische beperkingen ten aanzien van de toegang tot het vangnet zijn er ook voor armlastige EU onderdanen die in een andere lidstaat verblijven. Het vrije verkeer van personen is beperkt tot hen die beschikken over voldoende middelen van bestaan. Ook deze uitzondering is veelvuldig het voorwerp van rechterlijke interventies maar uiteindelijk kan het HvJEU geen ijzer met handen breken. Aldus bevestigde het HvJEU op 11 november 2014 dat een Roemeense moeder die met haar zoontje naar Duitsland was gekomen, zonder dat zij daar ooit gewerkt had, zich niet op het EU-recht kon beroepen teneinde in Duitsland een bijstandsuitkering te krijgen.10 Deze rechtssituatie levert naar het oordeel van het Hof geen strijd op met onder meer het principe van menselijke waardigheid van art. 1 van het Handvest van de Grondrechten van de EU, aangezien de situatie van een burger zoals Dano, die niet over voldoende middelen van bestaan beschikt, buiten het bereik van het gemeenschapsrecht valt.

Het arrest het HvJEU in de zaak Dano laat zien hoe hardnekkig de uitsluiting van bijstand van niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen is, ook in het EU-recht. Intussen kan niet worden verheeld dat er groep mensen is die aan grote risico’s wordt blootgesteld. Hierop wijst ook het ESRC. De uitspraak in de zaak Dano kwam namelijk een dag nadat het ECSR in een collectieve klacht, aangespannen door de Raad van Europese kerken over de opvangsituatie van illegalen, Nederland in stellige bewoordingen had beschuldigd van schending van het ESH, in het bijzonder van het recht op gelijke behandeling bij de toegang tot de sociale bijstand (art. 13, vierde lid ESH) en het recht op opvang (art. 31, tweede lid ESH).11 Volgens de (nu oud)-Staatssecretaris van Justitie moest de beslissing van het ECSR zonder gevolgen blijven want dergelijke beslissingen hebben geen bindende rechtskracht, maar de voorzieningenrechter van de CRvB droeg alvast bij wijze van voorlopige voorziening de gemeente Amsterdam op om tijdens de winterperiode nachtopvang te bieden met een douche, maaltijd en ontbijt.12 Dit is bed-bad-en-broodopvang waar ook daklozen gebruik van maken. De Rechtbank Den Haag ging nog een stapje verder en zag in de beslissing van het ECSR aanleiding om te oordelen dat het weigeren van elke vorm van opvang voor illegalen in strijd komt met art. 8 EVRM.13 Inmiddels heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa zich over beslissing van het ECSR (en de brief op poten hierover van de Nederlandse regering) gebogen. Het Comité legde de bal handig terug waar die in wezen thuishoort: bij de Nederlandse regering. Het werd bijna een kabinetscrisis. Het politieke compromis dat deze crisis moet afwenden, bestaande uit het omtoveren van de spontane gemeentelijke bed-bad-en-broodopvang in een tijdelijke, gedeconcentreerde uitzetvoorziening maakt een wanhopige indruk. Zo wordt er maar doorgemodderd met een even koppige als kwetsbare groep vreemdelingen die het land maar niet wil verlaten.

3.2Rigide handhaving

Een andere juridische oorzaak die toegang tot het vangnet in de weg staat is het strenge handhavingsbeleid. Dit vertaalt zich in de verplichting om teveel betaalde uitkeringen volledig terug te vorderen, uitkeringen te korten als niet wordt voldaan aan telkens strenger geformuleerde medewerkingsverplichtingen en boetes op te leggen als de inlichtingenverplichting wordt overtreden. Het wettelijke systeem dwingt deze consequenties mechanisch af, zodat elk verschil van inzicht over wat van een uitkeringsgerechtigde mag worden gevraagd, onmiddellijk uitmondt in een ernstige fraudezaak. Het is een wijdverbreide praktijk geworden; nu en dan borrelt er een geval naar de oppervlakte. Zo kwam in maart van dit jaar de zaak van de schoonmoeder van de Amsterdamse rapper Lange Frans in de media.14 Zij had vrijmoedig toegegeven aan de DWI van Amsterdam dat ze veelvuldig op de kleinkinderen paste. Daarvoor had zij volgens het college van B&W geld moeten vragen. Terecht of niet (het gaat niet om oppassen bij de eigen kinderen), in plaats van de schoonmoeder duidelijk te maken wat van haar in de toekomst verwacht wordt, vorderde de gemeente Amsterdam het volledige bedrag aan uitkering terug van bijna € 35.000. Daarnaast wordt een overtreding van de inlichtingenverplichting geconstateerd hetgeen onverbiddelijk een boete opleverde van nagenoeg hetzelfde bedrag. De rechtbank hield de terugvordering in stand als een consequentie van het wettelijk systeem. De boete werd gematigd aangezien de overtreding nog niet onder de per 1 januari 2013 in werking getreden Fraudewet viel. Maar juridisch blijft staan: fraude omdat oma zonder daar geld voor te vragen op de kleinkinderen heeft gepast. Dit mechanisch beboeten wordt er niet beter op als gevolg van de uitspraak van de CRvB van 24 november 2014 waarin het boeteregime werd gematigd voor niet-opzettelijk gepleegde fraude15, want ook nu moeten er in dergelijke situaties nog steeds fikse boetes betaald.

Hoe meer ik mij verdiep in de individuele biografieën van bijstandsgerechtigden, hoe meer ik ervan doordrongen raak dat het rigide handhavingsbeleid met zijn opgeschroefde verplichtingen en ernstige terugvorderingen en boetes mensen in de armoede duwt. Niet mag worden vergeten dat over de schulden die ontstaan ten gevolge van overtredingen van de inlichtingenverplichtingen geen schuldsanering mag worden gegeven. Dit dwingt mensen langdurig te leven op de beslagvrije voet van 90% van de bijstandsnorm. Maar zelfs die grens is niet heilig, want niet zo lang geleden vernamen we van de Nationale Ombudsman dat deze norm in de praktijk nauwelijks wordt gerespecteerd.16 Gerechtsdeurwaarders laten na onderzoek te doen naar de beslagvrije voet of interpreteren wettelijke voorwaarden te restrictief of lijnrecht in strijd met de bedoelingen van de wetgever en de jurisprudentie van kantonrechters. Als verweer stelt de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders dat de wettelijke bepalingen inderdaad nogal ingewikkeld zijn.17 Dat zou de bijstandsgerechtigde eens moeten zeggen als hem weer eens het verwijt naar zijn hoofd wordt geslingerd te hebben gefraudeerd.

Sommige bijstandsgerechtigden met schulden raken zo erg in de knoop dat een bewindvoerder wordt aangewezen die toeziet op de goede besteding van de bijstandsuitkering. De schuldenaar krijgt dan slechts zakgeld van enkele tientjes per week. Dan wordt de weg naar de voedselbank snel gevonden. Wat zorgen baart is het aantal anekdotes over bijstandsgerechtigden die in conflict komen met hun klantmanager en wier uitkering dan geheel wordt geweigerd in verband met onvoldoende medewerking. Art. 54, vierde lid Participatiewet biedt voor deze handelwijze een grondslag. Ook kan de aanvraag buiten behandeling worden gelaten op grond van art. 4:5 Awb. Hoe dan ook, de consequentie is dat wie weigert in de pas te lopen, het risico loopt afhankelijk te worden van het alternatieve opvangcircuit. De burgemeester van de gemeente Midden-Drenthe bood een dergelijke weerspannige inwoonster aan de uitkering weer te laten herleven op voorwaarde dat ze zou ophouden met de negatieve publiciteit over de gemeente18: au!

Hoe vaak komt het voor dat dit soort situaties de oorzaak vormt van ernstige armoede? We weten het niet, althans niet precies. 19 Duizenden pagina’s papier heeft de evaluatie van de WWB 2004-2007 opgeleverd over instroom- en uitstroomcijfers. Hoe minder de instroom en groter de uitstroom hoe succesvoller de wet, is daarbij steevast de redenering. Maar geen enkel gegeven over de gevolgen van het strenge sanctiebeleid voor de inkomenspositie van hen die dat treft en over eventuele klachten die hierover zijn ingediend. Voor de komende evaluatie van de Participatiewet zou het de parlementariërs sieren erop toe te zien dat gekeken wordt naar de effecten van het handhavingsbeleid in termen van sociale uitsluiting en ernstige armoede en daarbij niet alleen de gemeenten aan het woord te laten, maar ook bijstandsgerechtigden zelf. Ook de Inspectie SZW zou nog eens onderzoek kunnen naar dit onderwerp.

3.3Juridische drempels

Onder juridische drempels versta ik hier wettelijke constructies of uitvoeringsmodaliteiten die al dan niet bewust worden ingevoerd om een beroep op voorzieningen te frustreren en ‘de instroom’ te beperken. Rechtzoekenden kunnen daarover struikelen. Een voorbeeld hiervan vormt het systeem van de wachttijd van vier weken voor jongeren (personen onder 27 jaar) die bijstand aanvragen. Op grond van art. 41, vierde lid Participatiewet moet de jongere zich melden bij het UWV en tijdens deze wachttijd zelf op zoek gaan naar werk of scholing. Pas na afloop van de maand mag de aanvraag voor de bijstand worden ingediend. Het kabinet was zo te spreken over het gunstige effect van dit regime, dat deze de wachttijd wilde invoeren voor alle bijstandsaanvragen, maar de Kamer stak hier een stokje voor. Intussen zijn er gemeenten die de wachttijd de facto toch gewoon toepassen. De praktijk in Enschede komt er bijvoorbeeld op neer dat de DWI aanvragers steevast te kennen geeft pas over een maand terug te komen. In de tussentijd moet men zelf maar zien rond te komen. Pas als er een rechtshulpverlener aan te pas komt, wordt er een aanvraagformulier uitgereikt en een eventueel voorschot verstrekt. Een advocaat in Enschede schreef hierover een open brief aan de gemeenteraad. Zij wijst erop dat door de wachttijd mensen in financiële problemen komen, met alle gevolgen van dien (schulden, incassokosten, schuldsaneringstrajecten lopen spaak, zodat nieuwe schulden worden opgebouwd, beroep op de voedselbank).20 Naar verluidt, is de Nationale Ombudsman een onderzoek gestart naar de Enschedese praktijken. De staatssecretaris van SZW houdt zich op de vlakte.21

Een ander voorbeeld van drempels die worden opgeworpen in de uitvoeringspraktijk heeft betrekking op het zogenoemde regionale-bindingsvereiste. Dit is een vereiste dat door gemeenten wordt gehanteerd in het kader van de opvang van dak- en thuislozen op grond van de Wmo. Het vereiste houdt in dat de betrokkene een band moet hebben met de regio waarin de gemeente is gevestigd, blijkend uit een aantal jaren ingeschreven staan bij het BRP en het hebben van een ‘positief sociaal netwerk’. Omdat de Wmo eist dat er een landelijke dekking van de maatschappelijke opvang wordt gerealiseerd, worden gemeenten geacht een ieder die zich meldt op te vangen om hem of haar vervolgens zo spoedig mogelijk door te sturen naar de gemeente waarmee de sterkste binding bestaat. De Europese koepel van daklozenorganisaties, Feantsa, diende een klacht in tegen Nederland in verband met het regionale-bindingsvereiste. Sommige dak- of thuislozen hebben nu juist de rug toegekeerd aan de regio waarmee ze de meeste binding hebben, terwijl het vereiste steevast nadelig uitwerkt voor personen afkomstig uit andere landen. De regering verdedigde zich aanvankelijk met verve totdat tijdens de procedure een onderzoeksrapport verscheen van het Trimbosinstituut over de opvang van daklozen. Het rapport was geschreven in opdracht van het ministerie van VWS.22 De onderzoekers hadden zich voorgedaan als zwervers en aangeklopt bij verschillende gemeenten voor hulp. In bijna alle gevallen werd die hulp geweigerd, omdat men niet afkomstig was uit de regio. Van een ‘warme overdracht‘ naar een andere plaats waarover de VNG-handleiding “Landelijke toegankelijkheid in de maatschappelijke opvang, 2011” repte, was geen sprake. Logisch dat met dit rapport achter de hand het ESRC weinig moeite had de klacht van Feantsa volledig gegrond te verklaren.23 Inmiddels bepaalt de Wmo 2015 uitdrukkelijk dat de gemeente aan de ingezetene ‘tot welke hij zich wendt’ opvang moet verstrekken.24

  1. Juridische en organisatorische zwaktes in het beschermingssysteem voor kwetsbare personen

  1. Een gebrek aan juridische articulatie

De laatste voorbeelden met betrekking tot het regionale bindingsvereiste en de praktijken van de vier weken wachttijd leggen een probleem bloot dat kenmerkend is voor de opvang van behoeftigen, namelijk de constante neiging om voorzieningen buiten de sfeer van het recht te houden. Ik noem dat gemakshalve de ex-juridiseringsreflex. Zo blijkt uit het reeds genoemde onderzoek van het Trimbosonderzoek dat cliënten vrijwel nooit een beschikking krijgen uitgereikt waarin staat of men wordt toegelaten of afgewezen voor de maatschappelijke opvang, met als gevolg dat er naderhand ook niet meer door rechtshulpverleners eventuele bezwaar- of beroepsprocedures worden ingesteld. Kennelijk beschouwen de gemeenten de opvang als iets feitelijks en niet als iets juridisch. Dit standpunt is door hen overigens ook in rechte aangehangen in procedures over de weigering dakloze personen tot de opvang toe te laten, totdat de CRvB hierover in 2010 oordeelde dat de weigering van de opvang gewoon moet worden aangemerkt als een beschikking in de zin van art. 1:3 van de Awb, ook al is de opvang geen individuele voorziening.25

De neiging om het recht zoveel mogelijk buiten de deur te houden, is overigens ook zichtbaar bij de wetgever zelf. Gewezen kan worden op de voorprocedure die de Wmo 2015 in petto heeft voor mensen die een beroep doen op maatschappelijke ondersteuning (art. 2.3.2 lid 1 Wmo). Deze procedure, die ertoe dient de hulpvraag te identificeren en ‘kracht van het eigen netwerk’ te onderzoeken, moet leiden tot een eventueel aanbod om een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in te dienen. Maar komt een dergelijk aanbod niet dan is toegang tot de rechter uitgesloten, zo begrijp ik althans de bedoeling van de wetgever. Met andere woorden, het wordt niet op prijs gesteld dat tijdens het gesprek met de cliënt een rechter door het keukenraam staat te gluren. Deze kruik zal wel niet lang te water gaan voordat hij barst, want hoe kan worden volgehouden dat een weigering iemand toe te laten tot het indienen van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening, geen beschikking is in de zin van de Awb? 26

De ex-juridiseringsreflex krijgt een extra dimensie als we ons realiseren dat deze zich vooral voordoet bij positief optreden, dus als er iets aan de burger moet worden gegeven. Bij negatief overheidsoptreden waarbij rechten van burgers worden beperkt, zien we juist de tegenovergestelde trend van toenemende juridisering. Een voorbeeld daarvan vormt de steeds verder om zich heen grijpende praktijk van bedelarijverboden. Terwijl het verbod op landloperij en bedelarij in 1980 uit het Wetboek van Strafrecht werd verwijderd, gaan steeds meer gemeenten ertoe over bedelarij (en soms ook muziek maken op straat) te verbieden in de APV. De verboden worden strafrechtelijk gehandhaafd door het OM dat strafbeschikkingen kan geven of de zaak kan voorbrengen bij de rechter. Alleen al in de stad Groningen is vanaf de instelling van het lokale bedelarijverbod in 2003 meer dan 1500 keer formeel proces-verbaal is opgemaakt tegen bedelaars. 27

Het is een interessante vraag waar dit (ex-)juridiseringseffect bij positief en negatief overheidsoptreden vandaan komt. Deze vraag brengt ons in het vaarwater van mogelijke verklaringen voor de opkomst van de repressieve verzorgingsstaat waarover eerder in dit blad is geschreven. Hier beperk ik mij tot de constatering dat het effect als zodanig een zwakke schakel vormt in de beschermingsketen, want als er iets gegeven moet worden aan behoeftigen dan wordt dit beschouwd als genade in plaats van recht, terwijl met veel tromgeroffel de sterke arm wordt ingeroepen als iets wordt afgenomen.

4.2 Eenzijdige afhankelijkheid van het mensenrechtelijk beoordelingskader

Een andere structurele zwakte is dat de bescherming van veel kwetsbare personen eenzijdig rust op interventies die worden gepleegd vanuit het Europees mensenrechtelijk beoordelingskader. Dit doet zich sterker voelen naarmate een beroep op het reguliere beschermingsstelsel meer wordt gefrustreerd. Als de wet verstek laat gaan, zijn mensenrechten nog het enige anker waar men voor kan liggen. Deze situatie is nog wel het meest symptomatisch voor de niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen die in ons land van elk vorm van steun zijn uitgezonderd.

De afhankelijkheid van de bescherming van mensenrechten is verre van ideaal voor degenen die het aangaat. Vaak moeten er eerst Europese rechters of toezichthoudende organen aan te pas komen voordat de nationale rechter de schellen van de ogen valt llen. Ook is het systeem sterk afhankelijk van goedwillende advocaten die bereid zijn met schamele toevoegingen te procederen voor de kanslozen in de samenleving; gelukkig zijn er in Nederland nog enkelen. Voor zover het gaat om het afdwingen van bindende positieve verplichtingen, moeten we ons bij het niveau van bescherming dat voortvloeit uit het mensenrechtelijk beoordelingskader ook niet al te veel voorstellen. Gaat het om de sociale grondrechten dan worden dergelijke verplichtingen niet aangenomen vanwege het feit dat ze niet geacht worden rechtstreeks te werken, terwijl de positieve beschermingsverplichtingen in het kader van de klassieke grondrechten beperkt blijven tot de ernstigste noodsituaties. Zo werd door de CRvB een beroep op art. 8 EVRM van een vrouw uit Estland met een ernstig gehandicapte dochter die in aanmerking wilde komen voor maatschappelijke opvang afgewezen: het blijf-van-mijn-lijf huis gaf voldoende bescherming.28 Evenzeer beschouwt de CRvB een verblijf in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) als een goed alternatief voor de maatschappelijke opvang, ondanks het feit dat het hier een halve gevangenis betreft.29 Bij die eenzijdige afhankelijkheid van het mensenrechtelijk beoordelingskader valt tenslotte ook nog een andere opmerking te maken, namelijk dat mensenrechten gaan functioneren als vijgenbladeren die de schaamte van een tekortschietende bescherming moeten afdekken. Daar zijn niet voor bedacht, mag je hopen.

  1. Local dumping

Ten slotte wijs ik hier op het verschijnsel dat veel voorzieningen voor de allerarmsten door de wijze waarop ze zijn georganiseerd en gefinancierd het voorwerp vormen van onderlinge concurrentie en afschuifmechanismen. Zo is er een verband tussen de opkomst van het regionale-bindingsvereiste en de beslissing die in 2010 werd genomen om gemeenten zelf verantwoordelijk te maken voor de financiering van de maatschappelijke opvang. Hierdoor zijn gemeenten minder geneigd daklozen op te vangen die niet van hen zelf zijn.30 Maar ook daarvoor al leidde de financieringssystematiek tot afschuifgedrag. Veelzeggend is bijvoorbeeld de uitspraak van een Rotterdams collegelid in 2005 die erover klaagde dat er daklozen komen uit gemeenten die hun eigen rijksmiddelen krijgen voor daklozenopvang. “Nu krijgen we nog cadeautjes uit Groningen met een briefje erop: veel plezier in Rotterdam. Maar die mensen vangen we niet meer op. Desnoods brengen we ze zelf terug.”31 Het terugsturen van armen naar de plaats waar ze vandaan komen om de eigen middelen beschermen, is geen nieuw gegeven. Deze praktijk was al aan de orde van de dag bij de oude armenwet en dreigt nu weer terug te keren.

Ten gevolge van de decentralisatie ontstaat er ook nog een andere vorm van concurrentie: namelijk die tussen goede doelen binnen de gemeente zelf. In hoeverre is de gemeente nog bereid geld te investeren in de opvang van de allerarmsten als er zoveel andere aantrekkelijke bestemmingen gloren waaraan het geld kan worden uitgegeven? Dat een dergelijk effect kan optreden blijkt in het geval van de Participatiewet. In de WWB is een langdurigheidstoeslag ingevoerd voor mensen die langere tijd in de bijstand zitten. Dit houdt ermee verband dat men steeds meer op het inkomen gaat interen en uiteindelijk verpauperd. De Participatiewet maakte van deze toeslag een individuele voorziening, met andere woorden de toekenning moet het voorwerp vormen van maatwerk. Het blijkt echter dat sommige gemeenten dit zo invullen dat ze overgaan tot een categorale verlaging of zelfs tot afschaffing. Rotterdam heeft besloten de individuele inkomenstoeslag alleen nog maar te geven aan jeugdigen die zich scholen. Het lijkt me een schone taak voor de Inspectie SZW om dit te onderzoeken want maatwerk bieden waartoe art. 36 Participatiewet oproept, is wat anders dan niets bieden.

Het verantwoordelijk maken van gemeenten voor voorzieningen, zonder dat er op nationaal niveau voldoende organisatorische en financiële garanties bestaan voor de continuïteit, kan ertoe leiden dat deze voorzieningen gaan eroderen. Decentralisatie komt dan neer op een verraderlijke vorm van ‘local dumping’ . Binnen de kortste keren spoelen de voorzieningen weg, of omdat er geen geld meer is of omdat er een nieuwe politieke constellatie is ontstaan die niet geporteerd is van het beschermen van de ‘dropouts’ waar wij het in deze bijdrage toch over hebben.

  1. Het harnassen van de kwetsbare verzorgingsstaat

Wat kan er worden gedaan om de kwetsbare verzorgingsstaat te harnassen? Het belangrijkste – in mijn ogen – is ervoor te zorgen dat een halt wordt toegeroepen aan het sluipende proces van ondermijning van de vangnetfunctie van de bijstand, onder wat voor aantrekkelijke banieren dit ook gebeurt: de activeringsfilosofie, de bestrijding van fraude en misbruik, de participatiesamenleving of een geïntegreerd vreemdelingenbeleid. Er is ook nog zoiets als een sociale vangnetfunctie. Deze vormt de essentie van de bijstand en mag niet voortdurend ten grabbel worden gegooid aan een volgende gril van de politiek. Herstel van de vangnetfunctie vraagt om het schrappen van de categoriale uitsluiting van niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen van noodbijstand, kritische reflectie en onderzoek naar de gevolgen van het strenge handhavingsbeleid en een lossere binding tussen uitkering en arbeid. Formele drempels moeten worden geslecht en beperkende uitvoeringspraktijken moeten kritisch tegen het licht worden gehouden. De bijstand is een instrument om te voorkomen dat mensen in armoede geraken in plaats van een experimenteerfabriek voor gedragsprikkels. De bijstand moet er zijn als vorm van compassie in plaats van repressie.

Ik ben bang dat er nog heel wat water door de Rijn moet stromen voordat de politiek gehoor geeft aan mijn oproep. Misschien helpt het om elke politicus en beleidsmedewerker een gratis exemplaar te verstrekken van de biografie van Marga Klompé. Maar dan nog, mijn pleidooi voor restauratie van de vangnetfunctie van de bijstand gaat – ik geef het toe – tegen de stroom in van het hedendaagse (meerderheids)denken.

Een andere weg die kan worden verkend heeft betrekking op de versterking en explicitering van het mensenrechtelijk beoordelingskader. Een interessante aanzet hiertoe is gegeven door het College voor de Rechten van de Mens die in het kader van de decentralisatie een folder heeft gemaakt over de mensenrechten in het sociale domein. Dit is de zogenoemde BAAT-folder. BAAT staat voor Beschikbaarheid, Aanvaardbaarheid, Aanpasbaarheid en Toegankelijkheid, alle vier noties waaraan naar het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens het lokale sociale stelsel moet voldoen wil het beantwoorden aan de systeemeisen die voortvloeien uit de sociale grondrechten. De folder besteedt onder meer aandacht aan het beginsel van non-discriminatie en pleit voor de toegankelijkheid van het stelsel voor groepen die extra beschermwaardig zijn, zoals: “vrouwen en meisjes, migranten, mensen met diverse godsdienstige overtuigingen en levensbeschouwing, mensen met een beperking en chronisch zieken”. Het is maar een klein foldertje, maar toch is de boodschap duidelijk: als de wet zelf niet langer een eenduidig voorzieningenniveau voorschrijft dan moeten de gemeenten eigen afwegingen maken, waarbij zij zich moeten laten leiden door het mensenrechtelijk denkkader. Het BAAT-initiatief kan worden uitgebouwd tot een volwaardig programma van eisen waaraan de lokale verzorgingsstaat aan moet voldoen en dat erkenning krijgt van de regering. Een dergelijk programma moet in samenspraak met de gemeenten worden ontwikkeld. Geheel vrijblijvend is het niet, want als gemeenten beleidsbeslissingen nemen omdat het programma van eisen hen daartoe dwingt, moet dit consequenties hebben voor de middelen die hen door het Rijk wordt aangeboden.

Ten slotte wil ik in de beperkte ruimte die mij rest (de woordenteller kijkt mee) nog benoemen dat de versterking van de kwetsbare verzorgingsstaat ook een EU-verantwoordelijkheid is. Dit is niet alleen het geval omdat de EU in het kader van de Lissabonstrategie armoedebestrijding tot prioriteit heeft verklaard, maar ook omdat het met de kwaliteit van het sociale vangnet in veel lidstaten nog veel slechter is gesteld dan in Nederland, gewoon omdat een universeel bijstandsprogramma ontbreekt (Zuidelijke lidstaten) of omdat het uitkeringsniveau zeer laag is (Moe-landen). De crisis en de aanhoudende hoge werkloosheid duwt hele volksmassa’s in ernstige armoede. De EU kan daar niet van wegkijken en moet op zijn minst minimale voorwaarden voorschrijven waaraan het opvangstelsel voor de allerarmsten – hoe decentraal ook georganiseerd – moet voldoen. Initiatiefvoorstellen voor een Europees minimuminkomen dat dergelijke voorwaarden bevat, zijn gedaan vanuit leden van het Europese Parlement maar in de knop gebroken in verband met ontoereikende bevoegdheden in het VWEU.32 In een rapport uit 2014 van de Europese Commissie over ‘migration, mobility and destitution’, voorbereid door Regioplan, is een ander voorstel uitgewerkt dat betrekking heeft op de opvang van kwetsbare personen in nood. Dit voorstel heeft betrekking op het sub-minimale opvangsysteem.33 Het betreft voorwaarden die universeel toegankelijk zijn, analoog aan die welke reeds van toepassing zijn in de opvangrichtlijn voor asielzoekers (huisvesting, kleding, voedsel, toegang tot medische voorzieningen, scholing voor minderjarigen etc). Ook de rechtsgrondslag van dat tweede voorstel is precair, maar hier geldt uiteindelijk het simpele gezegde: waar een wil is, is een weg.

1 G.Vonk, Lokale verzorgingsstaat, nieuwe uitdaging voor de sociale rechtsstaat, NJB 2012/2172, p.2686-2693.

2 G.Vonk, Repressieve verzorgingsstaat, NJB, 2014/80, p. 95-102.

3 Zie bericht van de Europese Commissie http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=751, geraadpleegd op 11 maart 2015.

4 De laatste versie is Armoedesignalement 2014, SCP/CBS.

5 Ibid.

6 www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/bevolking/publicaties/artikelen/archief/2013/2013-4026-wm.htm, geraadpleegd op 11 maart 2015. Inmiddels is het aantal daklozen in de statistieken van CBS weer enigszins dalende.

7 ec.europa.eu/europe2020/pdf/themes/33_poverty_and_social_inclusion.pdf, geraadpleegd op 11 maart 2015.

8 Zo werd bijvoorbeeld in 2007 het niet gebruik van ouderen in de bijstand nog geschat op bijna 35% maar wellicht dat dit percentage inmiddels gedaald doordat de SVB de uitvoering van de bijstand voor personen gekort AOW-pensioen ter hand is gaan nemen. Zie beleidsdoorlichting art. 49 AOW, Anw, TW en aanvullende bijstand, ministerie van SZW, maart 2010.

9 Vgl. Paul Minderhoud, Scheurtjes in de Koppelingswet, NJCM-bulletin, 2012, 391-407.

10 HvJEU 11 november 2014, zaak C-333/13, ECLI:EU:2014:2358.

11 ESRC 10 november 2014, Complaint No. 90/2013.

12 Voorzieningenrechter CRvB 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4178.

13 Rechtbank Den Haag 23 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:15958.

14 journalistiek.npo.nl/dossiers/armoede-in-nederland/290_92214-sociale-dienst-duwt-oppas-oma-lange-frans-de-schulden-in, geraadpleegd op 11 maart 2015.

15 CRvB 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754. Zie over deze uitspraak P. Fluit, De ‘Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving’ gewogen en te streng bevonden, TRA, 2015/14, 14-18

16 Nationale Ombudsman, Met voeten getreden, schendingen van de beslagvrije voet door gerechtsdeurwaarders, 2013/150.

17 Brief van de KBvG aan de Ombudsman van 11 februari 2014, KMW/902-0211

19 In 2009 werd door de Inspectie nog op verzoek van de kamer een onderzoek gedaan naar de positie van mensen die afzien van een WWB-uitkering of deze niet krijgen toegekend. Zie het rapport R09/01 Buiten de bijstand. Slechts 30% van de respondenten in de onderzochte groep gaf aan werk te hebben gevonden. Het rapport spreekt van precaire omstandigheden bij de resterende groep, blijkend uit het feit dat een deel niet aan het bestaansminimum komt, moeilijk rond komt en meer dan € 5.000 schulden heeft. Overigens bleek dat van de 611 onderzochte gevallen de grootste groep van aanvragen voor bijstand (278) is geweigerd vanwege het feit dat deze aanvragen buiten behandeling wordt gesteld (niet in staat zijn de gewenste informatie te geven of te laat komen). Het gaat daarbij volgens het rapport om mensen die psychische problemen hebben, verslaafd zijn of ziek. Zie p. 17.

20 Brief van P.Gerritsen van Bolwerkadvocaten aan de Gemeenteraad van Enschede van 13 februari 2015, in mijn bezit.

21 Zie bericht Margot Limburg, ‘Geen sancties onwettige wachttijd Enschede’ Binnenlands Bestuur, 13 november 2014.

22 M. Tuyan, C. Muusse, M. Planje, Opvang landelijk toegankelijk? Onderzoek naar regiobinding en landelijke toegankelijkheid van de maatschappelijke opvang, Trimbosinstituut, Utrecht, 2013.

23 ECSR 10 November 2014, Complaint No. 86/2012.

24 Art. 1.2.1 onder c Wmo 2015. Of de praktijk zich hier naar richt? We weten het niet.

25 CRvB 19 april 2010, ECLI:NLCRVB:2014:BM0966.

26 In die zin ook M. Vermaat, Maatwerk in het Wetsvoorstel maatschappelijke ondersteuning 2015, NJB 2014/1018, 1374-1379, 1376.

27 Zie Koen Bandsma, ‘Is begging a crime. A case from the Netherlands’ in Homelessness and the law, G.J. Vonk & A. Tollenaar (eds.), Oisterwijk, 2014, 85-95, 93.

28 CRvB 26 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:863, AB 2014/195 met annotatie A. Tollenaar.

29 CRvB 10 september 2013, ECLI:NL:2013:173, RV20130090 met annotatie G.J. Vonk.

30 Uitgebreid geanalyseerd in de masterscriptie van Jochem Westert, Eigen daklozen eerst, 2014 Rijksuniversiteit Groningen, te raadplegen op www.straatjurist.nl.

31 Algemeen Dagblad 24 september 2005, aangehaald in de masterscriptie van Jochem Westert, ibid.

32 Zie A. van Lancker, Working Document on a Framework Directive on Minimum Income, EAPN, Brussels, 2010. Hierover ook H. Verschueren, ‘Union law and the fight against poverty: which legal instruments?’ in: Social inclusion and social protection in the EU: interactions between law and policy, B. Cantillon e.a. (eds.), Antwerpen, Oxford, Portland, Intersentia 2012, p. 205-2013.

33 European Commission, Study on Mobility, Migration and destitution in the European Union, report prepared by Regioplan, 2014, te downloaden bij bookshop.europa.eu.

(Eerder gepubliceerd in NJB, 15 mei 2015)


Prof. dr. Gijsbert Vonk is hoogleraar socialezekerheidsrecht aan de Rijksuniversiteit GroningenProf. dr. G.J. Vonk, hoogleraar sociale zekerheidsrecht organiseerde op 27 juni 2014 en 27 februari 2015 in samenwerking met bijstandsgerechtigden bijeenkomsten binnen de muren van de universiteit Groningen (RUG).

Het nieuwe onbetaalde werken onder staatstoezicht, ofwel: de verkwanseling van vrijwilligerswerk

Het enige dat nog telt.
Het enige dat nog telt.

Een groot deel van de samenleving kan niet draaien zonder vrijwilligers. Vrijwilligerswerk is onmisbaar in de zorg, het onderwijs, de hulpverlening, de culturele sector, het verenigingsleven, sport en spel, en meer. Als vrijwilligers geven we vrijwillig onze tijd en energie om de wereld een stukje beter te maken, om met elkaar samen iets op te kunnen bouwen, om anderen te helpen. En juist omdat het vrijwillig is, leggen we onze ziel en zaligheid erin en halen we daar voldoening uit. Echt vrijwilligerswerk is onmisbaar. Echt vrijwilligerswerk gaat niet om winst. En daarom laten we ons als “vrijwilliger” niet voor het karretje van het kapitalisme spannen.

Lees hier meer over de “tegenprestatie” en vrijwilligerswerk in Leiden.

We doen vrijwilligerswerk omdat niet alles om geld hoeft te draaien, omdat we leuke dingen willen doen voor anderen en die betaalbaar willen houden. Of misschien willen we gewoon samen iets voor onszelf opbouwen, wat gemakkelijker voor vrijwilligers is, juist omdat we niet per se grote bedrijfsplannen hoeven te schrijven. We ontmoeten allerlei mensen, we versterken ons sociale netwerk en dat van de mensen om ons heen. We krijgen er veel voor terug: een dankbaar gevoel, een gevoel van saamhorigheid, een gevoel van kracht. We doen het omdat we het wíllen, omdat we het werk dat we als vrijwilliger doen op zich waardevol vinden, en niet omdat we er bijvoorbeeld geld mee willen verdienen. Voor velen van ons is het niet meer dan logisch om ons vrijwillig in te zetten voor een betere wereld. Onze solidariteit met de wereld om ons heen, dat collectieve belang, motiveert onze individuele keuze om vrijwillig iets te doen.

Economische drijfveer

Maar politici en bestuurders doen het meer en meer voorkomen alsof ons individuele belang de reden zou moeten zijn om vrijwilligerswerk te doen. We moeten in onszelf investeren, werknemersvaardigheden leren, gaten vullen in onze cv. Als arbeider op een geflexibiliseerde arbeidsmarkt moeten we, als we “tussen twee banen in zitten”, onze waarde op de arbeidsmarkt op peil houden door onbetaald aan het werk te blijven. Vrijwilligerswerk is een carrièrebooster en staat goed op je cv, zo wordt gezegd. Tegenwoordig dan. Want waar eerder vrijwilligerswerk helemaal niet zo belangrijk voor het krijgen van een baan was, is het nu bijna een vereiste. Vrijwilligerswerk is daarmee niet meer een doel op zichzelf, maar een stap naar het “echte” werk, het betaalde werk. Overheidsinstanties die met baanlozen te maken hebben, zien dat ook letterlijk zo. De “participatieladder” telt zes treden naar betaald werk, en “onbetaald werk” staat op trede vier.

We moeten tegenwoordig de motivatie voor vrijwilligerswerk dus uit ons individuele economische belang halen, en niet meer uit het collectieve belang. Natuurlijk, voor veel vrijwilligers is er niets veranderd. Vrijwilligerswerk was al een onderdeel van ons leven, en we zijn van plan om het te blijven doen. Ook al waren er eerder vanzelfsprekend mensen die vrijwilligerswerk zagen als opstapje naar een baan, om ervaring op te doen of om te netwerken. Op individueel niveau is daar ook niets mis mee. Het probleem zit in de trend waarbij vrijwilligerswerk in toenemende mate nodig is om een betaalde baan te krijgen, en daarmee vooral een economische drijfveer moet hebben, en in feite onderdeel van de arbeidsmarkt wordt. Zo wordt onze vrije ontwikkeling en expressie in commerciële banen geleid ten behoeve van de dwingende eisen van de arbeidsmarkt. En de keuze om vrijwilligerswerk te doen, maken we niet meer individueel, nee, die keuze wordt “collectief” op beleidsniveau gemaakt. We moeten vrijwilligerswerk doen!

Onbetaalde arbeid en verdringing

Is vrijwilligerswerk op basis van economische motivatie nog vrijwilligerswerk? Of moeten we het onbetaalde arbeid of dwangarbeid noemen? En vrijwilligerswerk is nog maar één voorbeeld van een scala aan vormen waarin onbetaalde arbeid wordt gegoten. Het wordt bijvoorbeeld steeds normaler dat net afgestudeerden onbetaalde stages moeten lopen voordat ze überhaupt kans maken op een betaalde baan. Baanlozen moeten massaal “werknemersvaardigheden aanleren” in dwangarbeidtrajecten, ook degenen die al jarenlang “actief” zijn geweest op de arbeidsmarkt. Er was altijd al de proeftijd bij een nieuwe baan, bedoeld om de werkzaamheden te leren en te kijken of het werk van beide kanten bevalt. Een werknemer heeft dan nog niet de volledige bescherming van arbeidsrechten, maar wel al een salaris. Maar die proeftijd wordt nu soms vooraf gegaan door een periode van gratis meelopen, ook als het gaat om banen waar geen opleiding voor nodig is, maar iemand alleen ingewerkt moet worden. Allerlei manieren dus waarop steeds meer werk steeds langer onbetaald moet worden verricht. Hoe meer er onbetaald wordt gewerkt, hoe meer betaald werk er verdwijnt en hoe in het algemeen de betaalde baan voor baanlozen verder weg komt te staan. En dat is met medeweten, medewerking of op stimulans van sociale dienst-consulenten die baanlozen naar betaald werk zouden moeten leiden. Zij helpen dus actief mee aan de vernietiging van betaald werk.

Ook door de massale bezuinigingen die de laatste jaren zijn doorgedrukt, vooral op sociale voorzieningen, is betaald werk verder weg komen te staan. Enorm veel werk wordt niet langer meer beloond met een salaris, maar moet nog wel worden gedaan. Met de ideologie van de “participatiemaatschappij” proberen beleidsmakers dat op te vangen. Oftewel: zoveel mogelijk mensen zoveel mogelijk onbetaald werk laten doen. Maar dan wel van bovenaf gemanaged en aangestuurd. Baanlozen vrijwilligerswerk in duwen, of laten geloven dat vrijwilligerswerk hen aan een baan gaat helpen, vormt daar een onderdeel van. En veel organisaties die zware bezuinigingen krijgen te verwerken, spelen daar graag op in. Maar als wat eerst een betaalde baan was, daarna door vrijwilligers gedaan moet worden, betekent dat uiteraard dat er minder banen op de arbeidsmarkt zijn. Die ontwikkeling wordt verdringing genoemd. De bezuinigingen aan de ene kant en baanlozen vrijwilligerswerk induwen om die bezuinigingen op te vangen aan de andere kant maken samen deel uit van hetzelfde beleid. Baanlozen moeten onbetaald het werk opknappen dat de overheid eerder heeft weggesneden.

Professionalisering

Met het afnemende aantal betaalde banen hebben vrijwilligersbureaus inmiddels een enorme professionaliseringsslag gemaakt. Dezelfde woorden als bij betaald werk worden gebruikt bij vrijwilligerswerk: er zijn heuse “vacaturebanken” met “vacatures” die niet onderdoen voor betaald werk-vacatures. Dat die overlap niet denkbeeldig is, zien we ook aan het feit dat in de vacaturebanken voor vrijwilligers ook vacatures voor stages staan. Vrijwilligers kunnen zichzelf met hun cv op de vacaturewebsites “aanbieden”, en organisaties en bedrijven kunnen dan op deze “profielen” reageren. Het “matchen’ van vrijwilligers en organisaties wordt zo steeds meer gestroomlijnd. Bemiddelingsbureaus voor vrijwilligers worden zo steeds meer een soort uitzendbureaus. En sommige vrijwilligersvacatures zouden zo fulltime betaalde banen kunnen zijn. Vrijwilligerscoördinator, pr-medewerker, mantelzorgondersteuner, begeleider voor terminaal zieken, allemaal verantwoordelijke taken waar een opleiding voor nodig is, die vaak ook wordt geëist. Werk dat nog niet heel lang geleden gewoon werd betaald. Er zijn ook genoeg vacatures die opgeknipte banen lijken te zijn, zodat vrijwilligers het werk in kleinere hapjes kunnen doen. Kok voor een paar avonden per week bijvoorbeeld, of elke ochtend een bed opmaken in een verzorgingstehuis.

Het is opvallend dat de professionaliserende vrijwilligerssector voor een aanzienlijk deel draait op vrijwilligers en stagiaires. Zo worden vrijwilligers door andere vrijwilligers naar vrijwilligerswerk begeleid en op een efficiënte en goedkope manier in de molen van onbetaald werk gehouden. Zo komt een soort vrijwilligersindustrie op gang, voor en door vrijwilligers, die het gemakkelijker maakt om betaald werk langzaam om te zetten in onbetaald werk.

Reproductief werk

Bij al dat “nieuwe” vrijwilligerswerk gaat het voor een groot deel om zorgtaken. Reproductief werk dus, waarbij het menselijke aspect centraal moet staan. Waarom nu juist dat werk? Ten eerste omdat iemand het moet doen. Ook al wordt het niet meer betaald, dan nog zal het onvermijdelijk wel gedaan moeten worden. Er was al steeds meer een beroep op “mantelzorgers”. Met de nieuwe Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) moeten er behalve familieleden ook kennissen en buren worden ingeschakeld. En om steeds meer overvraagde mantelzorgers af en toe te ontlasten (ze moeten immers niet uitvallen), is er zoiets als respijtzorg ontstaan. Daarbij wordt de mantelzorger voor een tijdje vervangen, in de meeste gevallen ook weer door vrijwilligers. En om bezuinigingen op te vangen wordt in het zogenaamde “keukentafelgesprek” bekeken wie er van het sociale netwerk taken kan overnemen van betaalde zorgkrachten waar geen geld meer voor zou zijn. Als we niet willen, dan worden we emotioneel gechanteerd met onze moeder, buurman of goede vriend die ons nodig heeft. En met de mantra dat “iedereen een steentje bij moet dragen”, want we leven immers in de “participatiemaatschappij”. De boodschap daarbij is dan ook dat iedereen altijd moet werken, en als het niet betaald is, dan maar onbetaald.

Ten tweede heeft reproductief werk altijd een lagere status gehad dan ander werk. Veel van de zorgtaken die betaalde banen zijn geworden, vormden vroeger de onbetaalde arbeid die vooral door vrouwen werd uitgevoerd. Nu vrouwen “mee mogen doen” met de arbeidsmarkt, mee moeten doen zelfs, zijn zorgtaken eerst uitbesteed aan zorginstellingen, crèches en huishoudelijk werkers, onder wie veel migranten. Voor wie tenminste kinderopvang kan betalen, want de kinderopvang is duur en vormt een van de gebieden waarop flink is bezuinigd. In verzorgingstehuizen kom je niet meer binnen, tenzij je heel ziek bent of veel geld neertelt. En al die organisaties en instellingen zijn vercommercialiseerd, aan het reorganiseren geslagen ofwel aan het bezuinigen op de werkvloer. Al jaren klagen zorgmedewerkers dat de werkdruk toeneemt en dat ze geen tijd hebben om nog iets “leuks” met cliënten te kunnen doen. Daar werden al in toenemende mate vrijwilligers voor ingezet. Maar de vrijwilliger rukt nu nog verder op en neemt ook allemaal taken over die vroeger door een huishoudelijk werker of verzorgende betaald werden verricht. Reproductief werk wordt daarmee weer naar de onbetaalde sector geduwd. Een fenomeen dat de antropoloog David Graeber ook beschrijft: het meest waardevolle en betekenisvolle werk wordt het slechtst (of helemaal niet) betaald. En vrouwen, in ieder geval die aan de onderkant van de samenleving, zijn daarvan opnieuw het meest de dupe. Zij werken immers het vaakst in het betaalde reproductieve werk dat nu wordt wegbezuinigd, en zijn ook degenen aan wie de meeste onbetaalde zorgtaken ten deel vallen.

Overheidsbezuinigingen opvangen

Ook op andere terreinen rukt de vrijwilliger op om de gaten op te vullen die zijn veroorzaakt door schaamteloze bezuinigingen. In de welzijns- en liefdadigheidssector bijvoorbeeld, waar overheidssubsidies danig zijn teruggelopen. En ook overheidstaken zelf worden in toenemende mate door vrijwilligers verricht. De staat had zich eerder al ingespannen om initiatieven van onderop of lokale buurtgerichte activiteiten de nek om te draaien. Nu moet dat weer worden opgebouwd, maar dan wel gratis en op voorwaarden van de staat. Denk bijvoorbeeld aan het verzorgen van gemeentelijk groen, waarbij een toenemend beroep op de “eigen kracht” van buurten wordt gedaan, onder het mom van “participatie”, of zelfs zogenaamd “meer democratie”. Als de buurt de middelen krijgt en zelf de regie mag voeren, kan die “burgerparticipatie” op zich wel goed uitpakken. Maar meestal wil de overheid een flinke vinger in de pap hebben, zodat het weliswaar niet meer rechtstreeks door de staat, maar wel op voorwaarden van de staat wordt uitgevoerd. En dan ook nog eens voor een schijntje. Organisaties of initiatieven die daaraan niet voldoen, dreigen hun subsidie te verliezen. De overheid gebruikt de goede naam van vrijwilligerswerk om de dwang en de bezuinigingsgaten te verhullen. Vrijwilligersinitiatieven worden voor het karretje van de overheid gespannen en gebruikt om bezuinigingstargets en disciplineringsdoelen te halen.

Tegenprestatie en gedwongen vrijwilligerswerk

Subsidies zijn een manier om buurtinitiatieven de “gewenste” richting in te dwingen, en de uitkering is dat voor baanlozen. Uitkeringsgerechtigden zijn volgens de overheid bij uitstek geschikt om het werk uit te voeren dat tot onbetaalde arbeid is gebombardeerd. In 2012 sprak Doorbraak met een “activeringsmedewerker” die bij een welzijnsorganisatie baanlozen verplicht aan het vrijwilligerswerk moest “helpen”. Gemeenten moeten op grond van de Participatiewet een tegenprestatie vragen van uitkeringsgerechtigden. De centrale overheid houdt daarbij scherp in de gaten dat er niet alleen om een “vrijwillige tegenprestatie” wordt gevraagd, maar dat er ook een “verplichte tegenprestatie” wordt opgelegd. De tegenprestatie houdt in dat uitkeringsgerechtigden “iets terug moeten doen voor hun uitkering”. In sommige gemeenten gaat dat gepaard met harde dwang en moeten baanlozen bijvoorbeeld papier gaan prikken, voor een fiks aantal uur per week. In andere gemeenten gaat het subtieler en worden mensen het vrijwilligerswerk ingeduwd.

Een van de eisen aan de tegenprestatie is dat het “maatschappelijk nuttig” moet zijn. Maar wie bepaalt wat dat is? Er zullen vast heel wat consulenten zijn die vinden dat bijvoorbeeld politiek activisme, denk aan het verzet tegen de tegenprestatie, niet “maatschappelijk nuttig” is, terwijl dat voor onszelf een van de waardevolste vormen van vrijwilligerswerk zou kunnen zijn die we kunnen bedenken. Niet alle vormen van vrijwilligerswerk zullen dus zomaar worden goedgekeurd. Bovendien is, zoals gezegd, vrijwilligerswerk ook steeds meer noodzakelijk om nog kans te maken op een betaalde baan. Deze twee zaken zorgen ervoor dat we niet meer “kiezen” voor het vrijwilligerswerk dat we intrinsiek belangrijk vinden, maar dat we in de richting worden geduwd van de onbetaalde arbeid die erg dicht bij betaalde arbeid zit. Want deze arbeid levert de meest relevante werkervaring op. Officieel heeft de tegenprestatie weliswaar geen reïntegratiedoel. Maar het is zeer waarschijnlijk dat de overheid er een voorkeur voor heeft dat we dit soort vrijwilligerswerk doen. En dat is ook juist de arbeid die je reinste verdringing is!

Veel gemeenten voeren de tegenprestatie op een “subtiele manier” in. Zij gebruiken expres woorden als “stimuleren”, “activeren”, “motiveren” en “uit het isolement halen”. Dat klinkt wel aardig: geen dwang, maar mensen alleen helpen om vrijwilligerswerk te vinden. Maar is het ook zo mooi? Want als “ze echt niet willen”, dan is er wel degelijk dwang. In feite maakt de gemeente tegenover de baanloze duidelijk: als jij niet binnen een aantal maanden vrijwilligerswerk vindt, dan leggen we jou de verplichte tegenprestatie op. De dreiging van de tegenprestatie is dus concreet en valt samen met een aangescherpt sanctiebeleid, een aangescherpt fraudebeleid en een uitgebreide en onmogelijke inlichtingenplicht. Dat is de sociaal-democratische manier, waarbij de dwang vaak niet expliciet is, maar altijd als een schaduw op de achtergrond meespeelt. Er bestaat met andere woorden altijd de dreiging dat je bestaanszekerheid wordt afgepakt. Het valt te vergelijken met de werkwijze van de zogenaamde “vrijwillige” terugkeer, waarbij illegaal gemaakte vluchtelingen en migranten met het mes op de keel worden gedwongen om mee te werken aan hun eigen deportatie. Doen ze dat niet, dan wacht maandenlange detentie en een mogelijk fysiek gewelddadige deportatie.

Er ontstaat dus een grijs gebied tussen echt vrijwilligerswerk en dwangarbeid. Veel baanlozen zullen worden gedwongen om iets te zoeken waar ze in feite niet echt op zitten te wachten, en wat ze dan maar gaan doen, meer of minder gemotiveerd. Dat vormt niet alleen een probleem voor baanlozen, maar ook voor vrijwilligersorganisaties. Want er komt zo een zweem van dwang te hangen rond vrijwilligerswerk. In de vrijwilligerssector komen zo steeds meer mensen te werken die misschien maar half zijn gemotiveerd.

Verzet tegen gedwongen vrijwilligerswerk

In Groot-Brittannië heeft de actiegroep Boycott Workfare ervaring met door de overheid opgelegd vrijwilligerswerk. Daar heeft de overheid verschillende dwangarbeidtrajecten bedacht. Sommige daarvan zijn officieel vrijwillig. Maar als je weigert om aan de “vrijwillige” trajecten mee te doen, dan word je doodleuk een verplicht traject in de maag gesplitst. Hoe vrijwillig is het “vrijwillige” traject dan nog? Boycott Workfare noemt die trajecten dan ook gewoon dwangarbeid. De actiegroep is al een tijd met de campagne “Houd vrijwilligerswerk vrijwillig” bezig. Organisaties kunnen een verklaring ondertekenen waarin ze aangeven niet mee te werken aan dwangarbeidtrajecten. De verklaring is inmiddels door honderden organisaties ondertekend. De campagne is hard op weg om gedwongen vrijwilligerswerk onmogelijk te maken.

In Nederland is het beleid verschillend per stad, komt het vaak wat vager over en lijkt de dwang implicieter dan in Groot-Brittannië. Maar dat maakt het niet minder belangrijk om tegenwicht te bieden aan de tendens waarbij vrijwilligerswerk tot een commercieel product, een reïntegratietool of een disciplineringsinstrument wordt gemaakt. Vrijwilligerswerk moet echt vrijwillig blijven en mag geen betaalde banen verdringen of keiharde bezuinigingen verhullen.

Joris Hanse
Mariët van Bommel

(Overgenomen van Doorbraak)