Alle berichten door DANG

Conclusie uit volkomen eenzijdig onderzoek naar Flextensie: dwangarbeid verdringt nooit

Van links naar rechts: Flextensie-uitbuiters Suzanne de Visser, Guus Budel en Martine van Ommeren.
Van links naar rechts: Flextensie-uitbuiters Suzanne de Visser, Guus Budel en Martine van Ommeren.

Eind oktober publiceerde het Leidse bureau De Beleidsonderzoekers het rapport “Werken met Flextensie”, dat eerder was beloofd door voormalig PvdA-staatssecretaris Jetta Klijnsma. De uitbuitconstructie Flextensie* wordt daarin omschreven als “reïntegratieinstrument” en betrokken gemeenten en bedrijven prijzen het de lucht in. Er zou bij Flextensie geen sprake kunnen zijn van verdringing van betaalde banen, aldus de onderzoekers, aangezien dat zou worden gewaarborgd. Er is geen verdringing omdat ze zeggen dat er geen verdringing is, aldus de kringredenering. De hele Flextensieconstructie draagt bij aan de verdergaande normalisering van ‘vrijwillige’ dwangarbeid voor bijstandsgerechtigden.

De onderzoeksters Saskia Peels en Mirjam Engelen schieten hun eigen onderzoek in de verantwoording zelf al vakkundig af: “Bij de gekozen onderzoeksopzet moeten we een kanttekening plaatsen. Wij hebben geen gemeenten gesproken die ervoor gekozen hebben om niet met Flextensie te werken. In het onderzoek zijn negatieve overwegingen daarmee wellicht ondervertegenwoordigd. Verder hebben gemeenten zelf namen en telefoonnummers doorgegeven van deelnemende bedrijven en bijstandsgerechtigden. Het is mogelijk dat gemeenten de meest positieve bedrijven en de meest positieve en/of succesvolle deelnemers hebben geselecteerd. Ook daardoor zijn negatieve ervaringen wellicht ondervertegenwoordigd.”

Het u-vraagt-wij-schrijven-karakter van het onderzoek werd ook opgemerkt door Ingrid Weel die er een stuk over schreef in Trouw: “Gemeenten en bedrijven blij met Flextensie, vakbond niet”. FNV-bestuurder Maaike Zorgman stipt daarin terecht de repressieve realiteit van het bijstandsregime aan. “Het rapport vergeet te melden dat veel mensen in de bijstand bang zijn en druk voelen om deel te nemen aan dit instrument terwijl het vrijwillig is”, zegt ze. Het komt volgens het rapport voor dat bijstandsgerechtigden via Flextensie ergens voor een week aan de dwangarbeid worden gezet. “Daar doe je toch geen werkervaring mee op?”, reageert Zorgman, alsof dwangarbeid wel te verdedigen zou zijn als je er iets van leert. Dat ze ook in deze context meteen aan “werkervaring” denkt, is niet verbazingwekkend: de bond keert zich weliswaar tegen “werken zonder loon”, maar heeft tegelijkertijd geen enkele moeite met het opleggen van enkele maanden “additionele arbeid” aan bijstandsgerechtigden zolang het maar de heilige “reïntegratie” dient. Maar of men er nu het fop-label “additioneel” op plakt of niet: dwangarbeid verdringt per definitie betaalde arbeid. Gelukkig concludeert Zorgman: “Die mensen worden korte tijd heel veel uren hard aan het werk gezet. Bedrijven moeten ook in die gevallen gewoon normaal loon betalen.”

Het is de Participatiewet, stupid!

Het rapport “Werken met Flextensie” is inmiddels door Klijnsma aangeboden aan de Tweede Kamer. Het is jammer dat Weel en Zorgman niet kritischer zijn ingegaan op de hilarisch wijze waarop het tegengaan van verdringing wordt belicht in zowel de rapportage als de bijgaande brief aan de Kamer. Zowel Klijnsma als de gemeenten bezweren dat ze er alles aan doen om “verdringing van betaald werk” tegen te gaan. Hun verhaal is simpel gezegd: bijstandsgerechtigden die in reïntegratietrajecten moeten werken, kunnen nooit betaalde arbeidsplaatsen verdringen omdat de beleidsmakers daar zorg voor dragen.

Verdringing

Hoe werkt verdringing? Een bedrijf of de overheid beslist dat een baan ophoudt te bestaan. Daarmee wordt er een arbeider baanloos gemaakt. Het werk moet echter nog steeds worden gedaan, en daarom noemt men de baan vervolgens geen baan meer en dwingt men (bijvoorbeeld) een bijstandsgerechtigde om het werk te doen zonder loon, op straffe van verlies van zijn of haar uitkering. Verdringing wordt door beleidsmakers en andere belanghebbenden erkend als een maatschappelijk probleem, een probleem dat men te lijf wil gaan met… meer verdringing, maar dan vermomd als “additionele arbeid”.

Aan de onderkant van de arbeidsmarkt is inmiddels een flinke nieuwe categorie arbeiders gecreëerd: bijstandsgerechtigde baanlozen die zonder arbeidsrechten of loon (soms wordt er een “premie” uitgekeerd) moeten werken voor de overheid, gemeenten, organisaties en bedrijven. De kapitalistische arbeidsmarkt van vraag en aanbod is een bewust geconstrueerde oorlog van allen tegen allen waarbij de arbeiders aan de ‘onderkant’ elkaar voortdurend moeten verdringen om loonarbeid, om de ‘aangeboden’ banen, met als gevolg dat de lonen omlaag gaan.

De overheid is er om bedrijven (“de economie”) te steunen en daarom probeert men zoveel mogelijk drempels te verwijderen die de race naar beneden nog enigszins bemoeilijken. Voorbeelden daarvan zijn de invoering van steeds meer vormen van flexwerk en het omzeilen van het minimumloon en arbeidsrechten via dwangarbeid. Zo kan men laagbetaalde en zelfs onbetaalde arbeiders degenen met nog wel een regulier betaalde baan laten verdringen.

De gemeenten in het rapport noemen vijf manieren waarop zou worden gewaarborgd dat er geen betaald werk wordt verdrongen door Flextensie. Die staan in de brief aan Klijnsma zo omschreven:

1. “De eerste waarborg is volgens gemeenten het type kandidaat dat wordt geplaatst. Het gaat om bijstandsgerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt die niet regulier bemiddelbaar zijn. Zij hebben méér begeleiding nodig dan een reguliere werknemer.”

Maar baanlozen zijn baanloos. Bijstandsgerechtigde baanlozen hebben een uitkering omdat ze geen baan hebben. En juist doordat ze geen baan hebben is er die “afstand tot de arbeidsmarkt”. Elke bijstandsgerechtigde heeft dus per definitie een “afstand tot de arbeidsmarkt”. Bijstandsgerechtigden zijn nooit “regulier bemiddelbaar”, anders zaten ze niet in de bijstand, anders hadden ze wel een baan. De eerste waarborg tegen verdringing is dus fictie: in principe kan elke bijstandsgerechtigde dus aan Flextensie overgeleverd worden. Verder komt het idee dat bijstandsgerechtigden “méér begeleiding” nodig hebben in een nieuwe baan dan andere arbeiders voort uit de logica van de “reïntegratieindustrie” met haar ideologie van activering. In de praktijk bestaat activering uit disciplinering, uit repressieve aandacht van ambtenaren en reïntegratiemedewerkers. Bijstandsgerechtigden zouden niet alleen geen baan, maar ook geen “arbeidsritme”, “arbeidsvermogen”, verstand en dergelijke hebben. De begeleiders ‘moeten’ baanlozen al die capaciteiten ‘aanleren’. Kortom, Flextensie-baanlozen zouden niet verdringen omdat ze meer worden gedisciplineerd en geen loon of arbeidsrechten krijgen. Onnavolgbaar! Juist die dwang en de slechte arbeidsomstandigheden maken de verdringing überhaupt mogelijk.

2. “Ten tweede volgen gemeenten de richtlijnen die Flextensie voorstelt voor de tijdelijke duur van de plaatsing: een kandidaat mag maximaal drie maanden op een functie geplaatst worden bij een inzet van meer dan 28 uur per week en maximaal zes maanden wanneer het gaat om minder dan 28 uur per week.”

Als de ene arbeider het werk van een andere goedkoper gaat doen, ook al is het maar één uur, dan is er sprake van verdringing. En goedkoper is het. Bijstandsgerechtigde kunnen door Flextensie onbetaald – een premie van 1 á 2 euro per uur is geen loon – en rechteloos te werk worden gesteld. Maar doordat de overheid het pas na drie tot zes maanden gratis werken wettelijk verdringing wil noemen, kan Flextensie door slim en geniepig binnen die marges te blijven ongelimiteerde aantallen bijstandsgerechtigden in trajecten plaatsen.

3. “Ten derde noemen gemeenten het tarief dat wordt betaald marktconform, c.q. reëel. Daarmee bedoelen zij dat de kandidaat in sommige gevallen voor werkgevers dan wel iets goedkoper is dan wanneer de werkgever via een uitzendbureau werft, maar de arbeidsproductiviteit van de kandidaat is ook lager dan die van een reguliere werknemer en de begeleidingsvraag is groter. De aangedragen kandidaten zijn immers niet direct bemiddelbaar naar werk.”

Volgens de logica van de “reïntegratieindustrie” hebben bijstandsgerechtigde ‘natuurlijk’ altijd een lagere arbeidsproductiviteit. Dat ze baanloos zijn, zou immers niet aan de economie liggen, maar aan de kwaliteiten die ze zouden missen, en die ze eerst zouden moeten “bijleren” via “reïntegratietrajecten”. De redenering achter de derde waarborg komt feitelijk neer op: bijstandsgerechtigden vinden niet meteen een baan en daarom mogen ze worden uitgebuit, zo de kassen spekken van staat en bedrijfsleven en tegemoet komen aan de vraag naar onbeloonde en onderbetaalde flexwerkers. De enige manier waarop Flextensie daadwerkelijk verdringing kan tegengaan is door baanlozen gewoon een minimum of cao-loon te betalen.

4. “Ten vierde monitoren gemeenten de ontwikkeling van de kandidaat. Wanneer deze bemiddelbaar is, wordt de constructie van het werken met behoud van uitkering beëindigd. Op die manier wordt de duur van een traject afgestemd op de ontwikkelbehoefte en de mogelijkheid tot uitstroom naar betaald werk.”

Wanneer de bijstandsgerechtigde een baan krijgt aangeboden (bemiddeld is) of zelf vindt, dan moet die worden geaccepteerd, stopt de uitkering en dus ook de dwangarbeid, en pas dan stopt de verdringing. Dat de gemeente Flextensie-baanlozen voortdurend zou controleren (komen ze op tijd, werken ze goed, kunnen ze de gevraagde productiviteit leveren) neemt, zoals eerder gezegd, niet weg dat het om verdringing gaat. De maximale duur van een Flextensie-tewerkstelling wordt uiteindelijk niet bepaald door de “ontwikkelbehoefte” (wat een BS-begrip weer) van bijstandsgerechtigden, maar door de wettelijke kaders waarbinnen Flextensie moet werken.

5. “Ten vijfde noemen gemeenten de ervaring van consulenten met het vraagstuk van verdringing in de context van reïntegratie-instrumenten als waarborg. De gemeenten geven aan een sterk netwerk van bedrijven te hebben die zij al lang en goed kennen en ook vertrouwen. Naar eigen zeggen weten gemeenten uit ervaring dat die bedrijven geen misbruik maken van de situatie en niet alleen op zoek zijn naar goedkope arbeidskrachten. Wanneer men eerder een slechte ervaring heeft gehad met een bepaald bedrijf, wordt er volgens de gemeenten met die partij geen zaken meer gedaan. Er is bij sommige gemeenten sprake van een ‘zwarte lijst’ van dergelijke bedrijven.”

Flextensie-baanlozen zijn “goedkope arbeidskrachten” die maar moeten afgaan op het “vertrouwen” van hun gemeenten in bedrijven en organisaties, en zich zo gewaarborgd weten van een ‘prettige’ onbetaalde tewerkstelling. “Vertrouwen” is het enige wat bijstandsgerechtigden rest, want ze zijn geen volwaardige partij in de topdown uitbuitconstructie van Flextensie, gemeente, bedrijf en bijstandsgerechtigde. Hoe beleidsmakers en gemeenten het ook draaien of keren, Flextensie is de zoveelste stap richting verdere ‘normalisering’ van dwangarbeid.

Flextensie is dwangarbeid

Volgens de overheid vormen Flextensie-‘banen’ (dwangarbeid) nooit “volwaardig werk” dat een “volwaardig loon” met bijbehorende arbeidsrechten verdient. Het zou immers gaan om arbeid waarbij baanlozen worden begeleid (gedisciplineerd) om arbeidsritme, werkervaring en andere kapitalistische normen en waarden te internaliseren. Flextensiewerk zou dus in principe geen “volwaardig regulier werk” kunnen verdringen want het is zelf geen “volwaardig regulier werk”. Sowieso zou “volwaardig werk” nooit gedaan kunnen worden door mensen die volledig afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering.

Het gaat echter wel degelijk om verdringing én om dwangarbeid. De “armoedeverlichtende” premie van 1 á 2 euro per uur en de zogenaamde vrijwillige deelname aan de tewerkstelling doen niets af aan het gegeven dwangarbeid zelf. Flextensie-baanlozen zijn niet gevrijwaard van het bijstandsregime: alle verplichtingen blijven van kracht gedurende de tewerkstelling. De Flextensie-methodiek is slechts een van de vele – door de Participatiewet gelegitimeerde – nieuwe vormen van disciplinering van bijstandsgerechtigden die inmiddels ingevoerd zijn en die momenteel nog uitgerold worden.

Oproep aan Flextensie-baanlozen

Bij Doorbraak en ook bij de Bijstandsbond zijn bijstandsgerechtigden en anderen actief die graag in contact willen komen met Flextensie-baanlozen. Samen kunnen we nagaan welke kansen en wensen er liggen om strijd te leveren tegen de Flextensie-methode. We denken aan het aan de schandpaal nagelen van Flextensie via het publiceren van ervaringsverhalen. En aan het voeren van juridische procedures om een regulier arbeidscontract af te dwingen. En ook bijeenkomsten, demonstraties en andere acties behoren tot de mogelijkheden.

Werk jij via de Flextensie-constructie of dreig je dat te moeten gaan doen? Ken je bijstandsgerechtigden die via Flextensie werken of hebben gewerkt? Ken je mensen die zijn bedreigd met sancties of die al een strafkorting op hun uitkering opgelegd hebben gekregen omdat ze hebben geweigerd om zich te laten uitbuiten via de Flextensie-methode? Deel dan die kennis en praktijkervaringen (eventueel anoniem) en mail ons: dwangarbeid@doorbraak.eu.

Puk Pent en Bart de Baan

Noot
* Via Flextensie kunnen bijstandsgerechtigden door reguliere bedrijven en bazen worden ingehuurd voor tijdelijk werk zonder enige verplichting voor werkgevers: zonder arbeidsrechten zoals opbouw van een pensioen en een wettelijk minimumloon. Bijstandsgerechtigden “verdienen” naar gelang hun arbeidsproductiviteit anderhalf tot twee euro per uur. Bedrijf of baas betalen een minimumuurloon aan Flextensie. Flextensie en gemeente verdelen dat uurloon (dat varieert van 11,75 tot 12,00 euro per uur). Flextensie is een reïntegratiemiddel en daarmee tracht men dwangarbeid voor alle bijstandsgerechtigden verdergaand te legitimeren.

(Overgenomen van Doorbraak.eu)

Advertenties

Groningse wethouder spreekt van succes, maar 91,6 procent van de baanlozen wil niet meedoen aan zijn experiment “Bijstand op Maat”

Gronings logo.

“Veel belangstelling voor bijstand op maat”, meldt de gemeente Groningen op 6 november op haar website. “Het grote aantal aanmeldingen is voor mij een bevestiging dat veel bijstandsgerechtigden dezelfde overtuiging hebben dat het ook anders kan binnen de bijstandswet”, aldus GroenLinks-wethouder Sociale Zaken Mattias Gijsbertsen, die wil dat alle elementen van zijn beleid werken als vliegwielen. Hij wil ons wijs wil maken dat zijn nieuwste plannen aanslaan. Maar hoezo “veel” bijstandsgerechtigden?

Maar liefst negenduizend mensen met een bijstandsuitkering zijn uitgenodigd om mee te doen aan zijn onderzoek. Slechts 850 daarvan hebben zich aangemeld, volgens de gemeente. Dat betekent dat 8150 bijstandsgerechtigden weinig tot niets zien in het zoveelste experiment ‘hoe draag ik bij aan de totale afbraak van het uitkeringenstelsel en verdraag ik mijn toenemende bestaansonzekerheid in tijden van neo-liberaal kapitalisme en extreem-rechtse machthebbers’. Eat that, mister vliegwiel Gijsbertsen!

“Het experiment past in de lijn van andere initiatieven van de gemeente zoals parttime ondernemen in de bijstand en Kansen in Kaart. Hiermee worden bijstandsgerechtigden beter ondersteund richting werk, participatie en welzijn. Vertrouwen en een positieve benadering staan daarbij centraal”, gaat het gemeentelijke berichtje verder. Hoe durven Groningse beleidsmakers en uitvoerders termen als “vertrouwen” en “een positieve benadering” nog in de mond te nemen?! Het screenings- en activeringsproject “Kansen in Kaart” (3) is niet langer vrijwillig sinds ook daarvoor de interesse gering bleek. Deelname is verplicht gemaakt. Bijstandsgerechtigden die zich niet zich niet meer door Gijsbertsen en zijn personeel willen laten activeren staat een vette sanctie te wachten. Dus hoezo “vertrouwen” en “een positieve benadering”?

En hoezo ondersteuning “richting werk”? Welk werk? Flextensie misschien? Gijsbertsen zal binnenkort wel even enthousiast gaan berichten over die uitbuitconstructie, die ook al weer bijna een jaar draait in Groningen, en waarbij bijstandsgerechtigden zonder loon of arbeidsrechten tijdelijk conform de dwangarbeidregels ‘vrijwillig’ te werk worden gesteld bij reguliere bedrijven. Binnenkort wordt daar een intern evaluatie-rapportje over geschreven. En als de resultaten goed zijn, voor de wethouder, dan zal hij daar ook wel victorie over kraaien. En mochten de resultaten tegenvallen, ook dan zal ie wel kraaien, alleen valser, net als over Bijstand op Maat.

Puk Pent

(Overgenomen van doorbraak.eu)

De uitkering als vagevuur: de irrationele logica van activering en sancties

Deel van een afbeelding van het vagevuur door Sandro Botticelli.

Ontwerpen beleidsmakers uitkeringssystemen om hen die er recht op hebben te straffen? Baanlozen worden in toenemende mate blootgesteld aan vernederende maatregelen door de uitbetalingen afhankelijk te maken van het voldoen aan de aanwijzingen van medewerkers van uitkeringsinstanties, op straffe van boetes die kunnen leiden tot honger, armoede of erger. Het is een serieus bedoelde vraag: zijn onze beleidsmakers opzettelijk wreed? Of zijn zij slechts de pionnen van het neo-liberalisme, vastberaden om een gestage stroom van sollicitanten op gang te houden voor precaire arbeid?

Overal in de OESO zagen we in de afgelopen decennia hoe het actieve arbeidsmarktbeleid om zich heen greep en een bouwwerk van maatregelen op het gebied van toezicht, sancties en dwangarbeid tot stand bracht over het oudere naoorlogse sociale vangnet heen. Pleitbezorgers van dit type beleid stellen dat het economisch efficiënt is met zijn omscholing en druk op nietsnutten om werk te zoeken. Er zijn wat bewijzen dat de “menselijk kapitaal”-benadering goed is voor de economie vanwege het verbeteren van de competenties van arbeiders, maar druk en dreigementen lijken geen positief effect te hebben op uitkeringsgerechtigden. Critici stellen dat dit soort maatregelen wreed zijn en dat het effect van sancties niet alleen financieel van aard is, maar als constante psychologische bedreiging fungeert en daarmee negatieve gevolgen heeft voor gezondheid en welbevinden van werkzoekenden. De kans bestaat zelfs dat de staat op de lange termijn haar eigen belang schaadt door nu geld te besparen, maar toekomstige problemen te creëren.

Vertaling door Petra de Jong van “Welfare as Purgatory: The irrational rationality of activation and sanctions” op Discover Society

Hoewel er vele factoren meespelen – neo-liberale economische theorieën, technocratie, psychologische controle en meer – is onze stelling dat beleidsmakers gemotiveerd worden door diepere elementen in onze cultuur. We doelen dan op het idee van het vagevuur, het idee dat straf loutert.

Beleidsmakers, medewerkers van uitkeringsinstanties en zelfs werkzoekenden bezien hun situatie niet neutraal of objectief, maar via diepgewortelde culturele denkkaders. Zeker wanneer mensen zich geconfronteerd zien met zaken als complexe, grootschalige economische processen, of de verbijsterende ervaring van het baanloos zijn, interpreteren mensen hun wereld met behulp van diepere culturele ideeën – en dit beïnvloedt hun gedrag. Hervormingen in het uitkeringsstelsel zijn niet gebaseerd op bewijzen, maar op het idee van het vagevuur. Dit idee, hoe verborgen ook, vormt al tijden een inspiratie voor hen die toezicht houden op de baanlozen, van werkhuis tot arbeidsbureau.

Dit historische argument werd ook verwoord door Max Weber, die suggereerde dat het protestantse idee van de wereld als beproeving voor de ziel maakte dat geluk werd gezien als een teken van goddelijke voorzienigheid. Binnen dit wereldbeeld wordt een individu aangemoedigd om hard te werken in beroep of onderneming, met als doel niet enkel een hogere sociale status of de vervulling van hebzuchtige verlangens, maar vooral ten behoeve van het eigen zielenheil. Binnen deze logica kunnen de armen nog enigszins verlost worden door hard werken, maar zijn nietsnutten moreel verwerpelijk.

Het is een bekend gegeven dat Luther het geven van aalmoezen ten behoeve van hen die zich in het vagevuur bevinden, bekritiseerde. En toch zijn het desondanks juist de protestantse en calvinistische landen waar de middeleeuwse vorm van bijstand – liefdadigheid die rechtstreeks ten goede kwam aan de armen – door middel van staatsarbeidsprogramma’s en werkhuizen omgevormd werd tot een soort vagevuur.

Het vagevuur is een overgangsfase na het leven waarin een individuele ziel moet lijden voor begane zonden. De tijd gedraagt zich er anders, het gaat langzamer, zoals de vervelende dagen van het baanloos zijn. Er zijn straffen, niet zo erg als in de hel, maar kritiek punt is dat ze zijn ontworpen om de ziel te reinigen, zodat die de verlossing waard wordt. De straffen zijn op maat gemaakt voor de aard van de zondaar, die als individu hervormd moet worden, min of meer parallel aan de manier waarop baanlozen beoordeeld en ingedeeld worden voor specifieke behandelingen – werk zoeken, stages, omscholing, enzovoorts.

Naast het idee dat straffen noodzakelijk is voor zondaars, is de centrale gedachte achter het vagevuur dat lijden een positief effect heeft; het reinigt individuen van hun zondige verlangens en gebrek aan weerstand tegen verleidingen, het bouwt hen op en transformeert hen tot waardige zielen. Het beproeven van individuen, hen onderwerpen aan een versie van de bijbelse “beproevingen van Job” wordt nu het voorrecht van de bedenkers van uitkeringsprocedures.

Maar zijn uitkeringsprocedures gemodelleerd naar het vagevuur? In economisch jargon is baanloosheid een “arbeidsmarktovergang” en werk zoeken vormt een tussenfase tussen de hemel van een baan en de hel van totale armoede. Het is overduidelijk dat moderne opvattingen en de institutionele logica van uitkeringsbeleid het individu beschouwen als schuldig aan de eigen baanloosheid – velen worden onderworpen aan psychologische tests en dwang, alsof ze een karakterfout hebben. In de praktijk wordt baanloosheid gezien als een individueel probleem en niet als een structureel probleem. Een uitkering wordt niet gezien als een recht, maar als een schuld in ruil waarvoor de uitkeringsgerechtigde moet toestaan dat zijn leven nader wordt onderzocht door anderen en in ruil waarvoor hij nederig moet worden en elke aanbieding voor wat voor baan dan ook moet accepteren. Werkzoekenden moeten hun schuld aflossen door voortdurende inspanningen om een baan te zoeken. Ze zijn niet langer economische rechtspersonen met keuzevrijheid, ze worden subjecten die zonder repercussies gecommandeerd, onder druk gezet en gestraft mogen worden.

De druk richting activering is in het Verenigd Koninkrijk tientallen jaren oud, en het negatieve effect op uitkeringsgerechtigden heeft geleid tot letterlijk duizenden doden wegens slechte gezondheid en zelfmoord, hetgeen leidde tot een VN-onderzoek in 2016. Er is echter veel maatschappelijke steun voor het steeds maar strenger maken van uitkeringsprodures en voor het gebruik door de media van imaginaire “uitkeringsfraudeurs” als zondebokken. De vagevuurlogica is duidelijk in speeches van Iain Duncan Smith, toenmalig Minister voor Werk en Pensioenen, die zorgde voor een buitengewone toename in uitkeringssancties in de periode 2010-2013:

“…niemand zal over het hoofd gezien worden of zonder hulp worden achtergelaten… maar we zeggen tegen iedereen dat er geen mogelijkheid meer is om je te onttrekken aan een streng werkzoekregime. Als mensen vast zitten in een positie van afhankelijkheid van de staat, worden hun talenten te vaak verspild… enerzijds aan pogingen om meer geld van de staat te krijgen… anderzijds om de staat te ontlopen wanneer individuen geduwd worden richting de schaduweconomie of de donkere wereld van de kleine misdaad.”

Hier komen werkzoekenden uit de bus als potentiële misdadigers, als luie bedelaars, als sluwe klaplopers die misbruik maken van veel te vrijgevige uitkeringsstelsels en die op die manier hun talenten vergooien. De morele boventonen zijn duidelijk: zelfs “vergooide talenten” spiegelen de bijbelse “Parabel van de Talenten”, waarin het niet gebruiken van je gaven zondig is. Het is opvallend dat, hoewel deze speech een heel gebruikelijk onderscheid maakt tussen oprechte en dubieuze werkzoekenden, alle werkzoekenden worden onderworpen aan een “streng” regime. Straf is verplicht. Het nieuwe systeem verwacht dat werkzoekenden de nodige inspanningen hebben verricht nog voordat ze zich inschrijven, als bewijs van hun toewijding aan het proces.

In 2015 gaf premier David Cameron ook uiting aan de vagevuurlogica door uitkeringshervormingen te presenteren als een manier om problemen op te lossen die gecreëerd waren door voorgaande systemen, met name “afhankelijkheidscultuur”: “Dat het loont om niet te werken. Dat je iets verdient voor niets. Het bracht ons miljoenen mensen die thuis zaten nog voordat de recessie toesloeg. Het creëerde een cultuur van denken dat je ergens recht op hebt.”

Hier komen we de zonde hoogmoed tegen, weigeren te werken, naast de zonde ledigheid – “thuis zitten”. Deze individuen hebben een overtreding gemaakt tegen de “protestantse moraal” die werken beschouwt als de enige manier om geluk te verdienen. Hoewel Cameron dit deels poneert als de uitkomst van perverse prikkels binnen vorige uitkeringsstelsels, beschouwt hij het ook als persoonlijk moreel falen: “Eerst moeten we armoede bij de bron aanpakken, of het nu schulden zijn, een gezin dat uiteen valt, falen in het onderwijssysteem of verslaving. Daarna moeten we erkennen dat de enige lange termijn-oplossing voor armoede werk is.”

Individuen schuldig achten aan krachten in het systeem die met tussenpozen voor werkloosheid zorgen, is weliswaar bekritiseerd op ideologische gronden, maar het punt hier is om de gedachtegang achter deze uitkeringshervormingen te begrijpen. Werk wordt gepresenteerd als verlossend, een lapmiddel voor morele tekortkomingen, ook al neemt het aantal werkende armen toe. Uiteindelijk stelt Cameron voor dat werkzoekenden zonder betaling gemeenschapswerk zouden moeten verrichten, zoals het schoonmaken van parken. In plaats van het bestrijden van werkloosheid door daadwerkelijk schoonmakers of tuiniers in te huren, grijpt het uitkeringssysteem om zich heen als een vagevuurcomplex voor het tot stand brengen van straffen.

Werkzoekenden die wij hebben gesproken over hun ervaringen omschrijven baanloosheid niet zelden in termen die doen denken aan het vagevuur: bijvoorbeeld “niets doen”, “limbo”, “in de ijskast gezet”, enzovoorts. Velen zagen de interacties met medewerkers van de uitkeringsinstantie als vernederend en zinloos. En toch, wanneer ze werden gedwongen tot sollicitaties, cursussen en stages die vrijwel zinloos leken, aanvaardden velen van hen deze behandeling als goed voor hen: het “gaf structuur”, “zorgde dat ze uit bed kwamen” of “hield ze gewoon bezig”. Dus hoewel het regime onplezierig, pijnlijk en soms zelfs dodelijk is, aanvaarden veel individuen het liever dan dat ze ertegen in opstand komen, omdat zij het morele idee van het vagevuur delen: de straf zal uiteindelijk de moeite waard blijken. Veel werkzoekenden die wij spraken, stelden dat zij geen ‘echte’ werklozen waren, dat het anderen waren die sancties verdienden.

Weinig beleidsmakers of medewerkers van uitkeringsinstanties denken letterlijk aan het vagevuur, maar toch is het idee van hervormende straf het centrale idee achter sancties jegens de baanlozen. Onze theorie is bedoeld om licht te werpen op de culturele logica die zaken als activering en de bredere hervormingen van de verzorgingsstaat drijft. Natuurlijk kan de vagevuurlogica ideologisch bekritiseerd worden, maar zelf binnen dit idee is er ruimte voor een humanere en meer rationele manier om met mensen om te gaan en een wat barmhartiger soort vagevuur tot stand te brengen. In plaats van activering stellen wij een onvoorwaardelijke uitkering voor, waar individuen hun eigen transformatie vorm kunnen geven zonder de dreiging van sancties, zodat elk aanbod van ondersteuning en training optioneel is. Oftewel, het herontwerpen van uitkeringsstelsels met in gedachten een ander religieus idee – namelijk: niet oordelen over anderen.

Tom Boland en Ray Griffin
(De auteurs geven beiden les aan het Waterford Institute of Technology, waar ze leiding geven aan het Waterford Unemployment Experiences Research Collaborative (WUERC), onderdeel van het Centrum voor de Studie van de Morele Grondslagen van Economie en Maatschappij. Hun werk bestudeert de huidige ervaring van baanloosheid, uitkeringen en de arbeidsmarkt. Hun in 2015 herdrukte werk over de sociologie van baanloosheid werd gepubliceerd door Manchester University, en momenteel onderzoeken ze de morele en culturele betekenissen van arbeid en bijstand.)

(Overgenomen van doorbraak.eu)