Categorie archief: Dwangarbeid

Artikelen over Dwangarbeid

De uitkering als vagevuur: de irrationele logica van activering en sancties

Deel van een afbeelding van het vagevuur door Sandro Botticelli.

Ontwerpen beleidsmakers uitkeringssystemen om hen die er recht op hebben te straffen? Baanlozen worden in toenemende mate blootgesteld aan vernederende maatregelen door de uitbetalingen afhankelijk te maken van het voldoen aan de aanwijzingen van medewerkers van uitkeringsinstanties, op straffe van boetes die kunnen leiden tot honger, armoede of erger. Het is een serieus bedoelde vraag: zijn onze beleidsmakers opzettelijk wreed? Of zijn zij slechts de pionnen van het neo-liberalisme, vastberaden om een gestage stroom van sollicitanten op gang te houden voor precaire arbeid?

Overal in de OESO zagen we in de afgelopen decennia hoe het actieve arbeidsmarktbeleid om zich heen greep en een bouwwerk van maatregelen op het gebied van toezicht, sancties en dwangarbeid tot stand bracht over het oudere naoorlogse sociale vangnet heen. Pleitbezorgers van dit type beleid stellen dat het economisch efficiënt is met zijn omscholing en druk op nietsnutten om werk te zoeken. Er zijn wat bewijzen dat de “menselijk kapitaal”-benadering goed is voor de economie vanwege het verbeteren van de competenties van arbeiders, maar druk en dreigementen lijken geen positief effect te hebben op uitkeringsgerechtigden. Critici stellen dat dit soort maatregelen wreed zijn en dat het effect van sancties niet alleen financieel van aard is, maar als constante psychologische bedreiging fungeert en daarmee negatieve gevolgen heeft voor gezondheid en welbevinden van werkzoekenden. De kans bestaat zelfs dat de staat op de lange termijn haar eigen belang schaadt door nu geld te besparen, maar toekomstige problemen te creëren.

Vertaling door Petra de Jong van “Welfare as Purgatory: The irrational rationality of activation and sanctions” op Discover Society

Hoewel er vele factoren meespelen – neo-liberale economische theorieën, technocratie, psychologische controle en meer – is onze stelling dat beleidsmakers gemotiveerd worden door diepere elementen in onze cultuur. We doelen dan op het idee van het vagevuur, het idee dat straf loutert.

Beleidsmakers, medewerkers van uitkeringsinstanties en zelfs werkzoekenden bezien hun situatie niet neutraal of objectief, maar via diepgewortelde culturele denkkaders. Zeker wanneer mensen zich geconfronteerd zien met zaken als complexe, grootschalige economische processen, of de verbijsterende ervaring van het baanloos zijn, interpreteren mensen hun wereld met behulp van diepere culturele ideeën – en dit beïnvloedt hun gedrag. Hervormingen in het uitkeringsstelsel zijn niet gebaseerd op bewijzen, maar op het idee van het vagevuur. Dit idee, hoe verborgen ook, vormt al tijden een inspiratie voor hen die toezicht houden op de baanlozen, van werkhuis tot arbeidsbureau.

Dit historische argument werd ook verwoord door Max Weber, die suggereerde dat het protestantse idee van de wereld als beproeving voor de ziel maakte dat geluk werd gezien als een teken van goddelijke voorzienigheid. Binnen dit wereldbeeld wordt een individu aangemoedigd om hard te werken in beroep of onderneming, met als doel niet enkel een hogere sociale status of de vervulling van hebzuchtige verlangens, maar vooral ten behoeve van het eigen zielenheil. Binnen deze logica kunnen de armen nog enigszins verlost worden door hard werken, maar zijn nietsnutten moreel verwerpelijk.

Het is een bekend gegeven dat Luther het geven van aalmoezen ten behoeve van hen die zich in het vagevuur bevinden, bekritiseerde. En toch zijn het desondanks juist de protestantse en calvinistische landen waar de middeleeuwse vorm van bijstand – liefdadigheid die rechtstreeks ten goede kwam aan de armen – door middel van staatsarbeidsprogramma’s en werkhuizen omgevormd werd tot een soort vagevuur.

Het vagevuur is een overgangsfase na het leven waarin een individuele ziel moet lijden voor begane zonden. De tijd gedraagt zich er anders, het gaat langzamer, zoals de vervelende dagen van het baanloos zijn. Er zijn straffen, niet zo erg als in de hel, maar kritiek punt is dat ze zijn ontworpen om de ziel te reinigen, zodat die de verlossing waard wordt. De straffen zijn op maat gemaakt voor de aard van de zondaar, die als individu hervormd moet worden, min of meer parallel aan de manier waarop baanlozen beoordeeld en ingedeeld worden voor specifieke behandelingen – werk zoeken, stages, omscholing, enzovoorts.

Naast het idee dat straffen noodzakelijk is voor zondaars, is de centrale gedachte achter het vagevuur dat lijden een positief effect heeft; het reinigt individuen van hun zondige verlangens en gebrek aan weerstand tegen verleidingen, het bouwt hen op en transformeert hen tot waardige zielen. Het beproeven van individuen, hen onderwerpen aan een versie van de bijbelse “beproevingen van Job” wordt nu het voorrecht van de bedenkers van uitkeringsprocedures.

Maar zijn uitkeringsprocedures gemodelleerd naar het vagevuur? In economisch jargon is baanloosheid een “arbeidsmarktovergang” en werk zoeken vormt een tussenfase tussen de hemel van een baan en de hel van totale armoede. Het is overduidelijk dat moderne opvattingen en de institutionele logica van uitkeringsbeleid het individu beschouwen als schuldig aan de eigen baanloosheid – velen worden onderworpen aan psychologische tests en dwang, alsof ze een karakterfout hebben. In de praktijk wordt baanloosheid gezien als een individueel probleem en niet als een structureel probleem. Een uitkering wordt niet gezien als een recht, maar als een schuld in ruil waarvoor de uitkeringsgerechtigde moet toestaan dat zijn leven nader wordt onderzocht door anderen en in ruil waarvoor hij nederig moet worden en elke aanbieding voor wat voor baan dan ook moet accepteren. Werkzoekenden moeten hun schuld aflossen door voortdurende inspanningen om een baan te zoeken. Ze zijn niet langer economische rechtspersonen met keuzevrijheid, ze worden subjecten die zonder repercussies gecommandeerd, onder druk gezet en gestraft mogen worden.

De druk richting activering is in het Verenigd Koninkrijk tientallen jaren oud, en het negatieve effect op uitkeringsgerechtigden heeft geleid tot letterlijk duizenden doden wegens slechte gezondheid en zelfmoord, hetgeen leidde tot een VN-onderzoek in 2016. Er is echter veel maatschappelijke steun voor het steeds maar strenger maken van uitkeringsprodures en voor het gebruik door de media van imaginaire “uitkeringsfraudeurs” als zondebokken. De vagevuurlogica is duidelijk in speeches van Iain Duncan Smith, toenmalig Minister voor Werk en Pensioenen, die zorgde voor een buitengewone toename in uitkeringssancties in de periode 2010-2013:

“…niemand zal over het hoofd gezien worden of zonder hulp worden achtergelaten… maar we zeggen tegen iedereen dat er geen mogelijkheid meer is om je te onttrekken aan een streng werkzoekregime. Als mensen vast zitten in een positie van afhankelijkheid van de staat, worden hun talenten te vaak verspild… enerzijds aan pogingen om meer geld van de staat te krijgen… anderzijds om de staat te ontlopen wanneer individuen geduwd worden richting de schaduweconomie of de donkere wereld van de kleine misdaad.”

Hier komen werkzoekenden uit de bus als potentiële misdadigers, als luie bedelaars, als sluwe klaplopers die misbruik maken van veel te vrijgevige uitkeringsstelsels en die op die manier hun talenten vergooien. De morele boventonen zijn duidelijk: zelfs “vergooide talenten” spiegelen de bijbelse “Parabel van de Talenten”, waarin het niet gebruiken van je gaven zondig is. Het is opvallend dat, hoewel deze speech een heel gebruikelijk onderscheid maakt tussen oprechte en dubieuze werkzoekenden, alle werkzoekenden worden onderworpen aan een “streng” regime. Straf is verplicht. Het nieuwe systeem verwacht dat werkzoekenden de nodige inspanningen hebben verricht nog voordat ze zich inschrijven, als bewijs van hun toewijding aan het proces.

In 2015 gaf premier David Cameron ook uiting aan de vagevuurlogica door uitkeringshervormingen te presenteren als een manier om problemen op te lossen die gecreëerd waren door voorgaande systemen, met name “afhankelijkheidscultuur”: “Dat het loont om niet te werken. Dat je iets verdient voor niets. Het bracht ons miljoenen mensen die thuis zaten nog voordat de recessie toesloeg. Het creëerde een cultuur van denken dat je ergens recht op hebt.”

Hier komen we de zonde hoogmoed tegen, weigeren te werken, naast de zonde ledigheid – “thuis zitten”. Deze individuen hebben een overtreding gemaakt tegen de “protestantse moraal” die werken beschouwt als de enige manier om geluk te verdienen. Hoewel Cameron dit deels poneert als de uitkomst van perverse prikkels binnen vorige uitkeringsstelsels, beschouwt hij het ook als persoonlijk moreel falen: “Eerst moeten we armoede bij de bron aanpakken, of het nu schulden zijn, een gezin dat uiteen valt, falen in het onderwijssysteem of verslaving. Daarna moeten we erkennen dat de enige lange termijn-oplossing voor armoede werk is.”

Individuen schuldig achten aan krachten in het systeem die met tussenpozen voor werkloosheid zorgen, is weliswaar bekritiseerd op ideologische gronden, maar het punt hier is om de gedachtegang achter deze uitkeringshervormingen te begrijpen. Werk wordt gepresenteerd als verlossend, een lapmiddel voor morele tekortkomingen, ook al neemt het aantal werkende armen toe. Uiteindelijk stelt Cameron voor dat werkzoekenden zonder betaling gemeenschapswerk zouden moeten verrichten, zoals het schoonmaken van parken. In plaats van het bestrijden van werkloosheid door daadwerkelijk schoonmakers of tuiniers in te huren, grijpt het uitkeringssysteem om zich heen als een vagevuurcomplex voor het tot stand brengen van straffen.

Werkzoekenden die wij hebben gesproken over hun ervaringen omschrijven baanloosheid niet zelden in termen die doen denken aan het vagevuur: bijvoorbeeld “niets doen”, “limbo”, “in de ijskast gezet”, enzovoorts. Velen zagen de interacties met medewerkers van de uitkeringsinstantie als vernederend en zinloos. En toch, wanneer ze werden gedwongen tot sollicitaties, cursussen en stages die vrijwel zinloos leken, aanvaardden velen van hen deze behandeling als goed voor hen: het “gaf structuur”, “zorgde dat ze uit bed kwamen” of “hield ze gewoon bezig”. Dus hoewel het regime onplezierig, pijnlijk en soms zelfs dodelijk is, aanvaarden veel individuen het liever dan dat ze ertegen in opstand komen, omdat zij het morele idee van het vagevuur delen: de straf zal uiteindelijk de moeite waard blijken. Veel werkzoekenden die wij spraken, stelden dat zij geen ‘echte’ werklozen waren, dat het anderen waren die sancties verdienden.

Weinig beleidsmakers of medewerkers van uitkeringsinstanties denken letterlijk aan het vagevuur, maar toch is het idee van hervormende straf het centrale idee achter sancties jegens de baanlozen. Onze theorie is bedoeld om licht te werpen op de culturele logica die zaken als activering en de bredere hervormingen van de verzorgingsstaat drijft. Natuurlijk kan de vagevuurlogica ideologisch bekritiseerd worden, maar zelf binnen dit idee is er ruimte voor een humanere en meer rationele manier om met mensen om te gaan en een wat barmhartiger soort vagevuur tot stand te brengen. In plaats van activering stellen wij een onvoorwaardelijke uitkering voor, waar individuen hun eigen transformatie vorm kunnen geven zonder de dreiging van sancties, zodat elk aanbod van ondersteuning en training optioneel is. Oftewel, het herontwerpen van uitkeringsstelsels met in gedachten een ander religieus idee – namelijk: niet oordelen over anderen.

Tom Boland en Ray Griffin
(De auteurs geven beiden les aan het Waterford Institute of Technology, waar ze leiding geven aan het Waterford Unemployment Experiences Research Collaborative (WUERC), onderdeel van het Centrum voor de Studie van de Morele Grondslagen van Economie en Maatschappij. Hun werk bestudeert de huidige ervaring van baanloosheid, uitkeringen en de arbeidsmarkt. Hun in 2015 herdrukte werk over de sociologie van baanloosheid werd gepubliceerd door Manchester University, en momenteel onderzoeken ze de morele en culturele betekenissen van arbeid en bijstand.)

(Overgenomen van doorbraak.eu)

Advertenties

Flextensie ontduikt iedere cao die maar voor handen is

Mensen in de bijstand kunnen via arbeidsbemiddelaar Flextensie wat bijverdienen. Dat heeft er baat bij, net als gemeenten. Er is ook kritiek. Voor circa 12 euro per uur kunnen ondernemers via het bedrijf Flextensie ontvangers van bijstand inhuren voor tijdelijke of flexibele klussen in bijvoorbeeld horeca, schoonmaak of detailhandel. Deze werknemer ontvangt dan 2 euro per uur bovenop de uitkering. Flextensie, die deze constructie heeft bedacht, deelt de overige 10 euro met de gemeente. “Iedereen tevreden”, zegt oprichter Guus Bludel. Al vijftig gemeenten doen zaken met het nieuwe bedrijf uit Den Haag. Maar er komt steeds meer kritiek op. “Dwangarbeid”, zegt actiegroep Dang uit Groningen. “Wij worden geacht te werken zonder loon, zonder arbeidsrechten, zonder cao of baangarantie om zo onze uitkering te bekostigen.” Op internetfora voor bijstandsgerechtigden wordt opgeroepen niet te werken ‘voor de Flextensie-uitbuiters’.

Ingrid Weel in Niet iedereen blij met baan plus bijstand (Trouw)

 

Flextensie: booming business over de ruggen van baanlozen

Van links naar rechts: Suzanne de Visser, Guus Budel en Martine van Ommeren.
Van links naar rechts: Suzanne de Visser, Guus Budel en Martine van Ommeren.

Vorige maand schreven we over het concept “flextensie”, een dwangarbeidconstructie waarbij bijstandsgerechtigden flexwerken binnen reguliere arbeidsplaatsen zonder loon of arbeidsrechten. En waarbij de financiële voordelen uitvallen ten gunste van de bazen, uitkeringverstrekkende gemeenten en natuurlijk het bedrijf Flextensie. Wie zitten er achter dat bedrijf en hoe heeft men dat concept flextensie uitgerold?

Het concept is heel simpel. Flextensie werkt op basis van inhuur. Een baas kan ons, bijstandsgerechtigden, inhuren voor veelal tijdelijk werk. Zonder enige verplichting, behalve het betalen van een overeengekomen uurtarief aan het bedrijf Flextensie. Dat uurtarief, gebaseerd op het minimumuurloon plus werkgeverslasten, varieert van 11,75 tot 12 euro per uur, maar kan ook lager uitvallen, al naargelang de productiviteit van de werkende baanloze.

Wij, de dwangarbeiders, ‘verdienen’ anderhalf tot twee euro per uur, en dat wordt ons uitbetaald door Flextensie. Het bedrijf steekt ongeveer een derde van het inhuurtarief in de eigen zak en wat er overblijft gaat naar de gemeentekas als besparing op de uitkeringslasten. Met andere woorden: wij worden geacht te werken zonder loon, arbeidsrechten, CAO of baangarantie om zo onze uitkering te bekostigen.

Flextensie blijkt een wirwar van allerlei bv’s waarin drie gehaaide zakenmensen de hoofdrol spelen, een man en twee vrouwen. Waar ook verscheidene gemeenten namens de BV Nederland en andere actoren in het veld, trouw aan het zaligmakende winstmodel, enkele belangrijke bijrollen vervulden en nog steeds vervullen. De baanloze is door Flextensie ontdekt als een onuitputtelijke nieuwe bron van gratis arbeid waar heel veel winst mee te maken is.

Guus Budel

De “Founding Partner” van Flextensie is Guus Budel. Begin jaren 80 begint hij een loopbaan in de automatisering bij de rijksoverheid. Hij is van 1989 tot 1993 verantwoordelijk voor Informatievoorziening en Automatisering bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. In 1993 stapt hij over naar de Rijnhaave Groep, een it-leverancier waar hij Directeur Office Automation wordt. Dat bedrijf wordt overgenomen door British Telecom, dat de naam van Rijnhave verandert in Syntegra Nederland. Daar is hij van 1996 tot 1997 Managing Director. Vervolgens richt hij in 1998 samen met Peter Kastelein Citee BV op. Dat bedrijf gaat aan de slag met onder meer het idee van het BedWeb, een integraal computersysteem voor onder meer patiënten in ziekenhuisbedden en toeristen in hotels. Eind 2000 had Citee driehonderd medewerkers en een omzet van ongeveer dertig miljoen euro. In 2001 verkopen Budel en Kastelein Citee aan Landis, een beursgenoteerde ICT-onderneming. Het jaar daarop gaat Landis failliet, waarna beide ondernemers, met hun gemeenschappelijke investeringsmaatschappij Comitee, Citee terugkopen van de curator. Begin 2003 wordt een combinatie gezocht met Newconomy BV, een op internet gericht investeringsbedrijf, dat op 1 mei 2003 besluit haar naam te wijzigen in RT Company NV met als handelsnaam Real Time Company. Budel wordt begin 2004 benoemd tot voorzitter van de Raad van Bestuur. Eind 2004 gaat het onderdeel waarin Citee is opgenomen (RT Companies) weer failliet. Sinds begin 2004 investeert hij echter al met Comitee in de ontwikkeling en exploitatie van webshops. Dat noemt hij Shops at Work en hij levert onder andere pc-apparatuur aan Kijkshop. In 2008 wordt ook bij Shops at Work de handdoek in de ring gegooid. Twee jaar later start hij het bedrijf 12Hire BV. Met 12Hire BV ontwikkelt hij het idee van flextensie.

Suzanne de Visser

De tweede hoofdpersoon bij Flextensie is Suzanne de Visser.  Afgestudeerd met een master maatschappijgeschiedenis start ze in januari 2006 haar carrière bij European Association of History Educators (EUROCLIO). Maar in juni stapt ze alweer over naar het ministerie van Buitenlandse Zaken, waar zij beleidsmedewerkster wordt. In september 2007 gaat ze werken voor het beruchte commerciële onderzoeksbureau Research voor Beleid. Dat richt zich op sociaal beleidsonderzoek en is vanaf 2010 onderdeel gaan uitmaken van Panteia BV. Dat is een allround onderzoeksbureau voor economisch en sociaal beleidsonderzoek, transportonderzoek en marktonderzoek. Met ongeveer hondervijftig medewerkers is Panteia een van de grootste private onderzoeksbureaus van Nederland. De Visser specialiseert zich daar tot onderzoekster naar baanlozen en reïntegratie. Vanuit die achtergrond en met haar expertise richt ze in 2013 samen met Budel het bedrijf Flextensie op, bijgestaan door de derde hoofdrolspeler: Martine van Ommeren.

Martine van Ommeren

Nadat Van Ommeren in 2006 afstudeert met een master taalwetenschappen, werkt ze twee en een half jaar in haar vakgebied. Eerst een jaar en negen maanden als adviseur/projectmedewerker bij de Taalstudio, en daarna zes maanden als projectmedewerker bij de afdeling Research and Development van Dedicon. Vanaf april 2008 werkt ze bij Research voor Beleid als onderzoekster en verricht daar voornamelijk onderzoek op het gebied Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Vanaf december 2011 is Van Ommeren columnist bij het streng christelijke Nederlands Dagblad, waarvoor ze maandelijks – tot eind 2014 – een column schrijft.

Opstarten

Onder de handelsnaam 12hire BV gaat Founding Partner Budel begin 2010 aan de slag met het businessplan van Flextensie. Achter de schermen wordt er intensief samengewerkt met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), wat in oktober 2012 resulteert in een eerste pilot flexwerk in Den Haag. Het doel daarvan is vooral om meer ervaring op te doen met diverse vormen van flexibel werk en om het concept verder te finetunen. Om die reden wordt op 22 februari 2013 – samen met De Visser en Van Ommeren – de onafhankelijke stichting Flextensie Haaglanden opgericht met Budel als directeur.

Uit de evaluatie van die eerste pilot blijkt dat na een stroeve start aan het einde van het experiment wat meer kandidaten bij een werkgever werden geplaatst en dat de omzet aanzienlijk was gestegen. De Haagse Flextensie-pilot kan daardoor worden voortgezet. Daarop wordt de uitzendorganisatie Tempo-Team erbij betrokken omdat die commerciële organisatie al jarenlang intensief en ‘inhouse’ samenwerkt met de gemeente. In 2013 wordt Flextensie bij het bredere publiek in Den Haag bekend gemaakt.

Bij de eerste pilot betreft een relatief groot deel van de opdrachten van Flextensie arbeid in de non-profitsector. Via de samenwerking met Tempo-Team worden er ook meer tijdelijke en kortdurende opdrachten uit de marktsector binnengehaald. In eerste instantie is het de bedoeling om alleen “WSP kandidaten” boven de zevenentwintig jaar in te zetten. Met “WSP kandidaten”worden bijstandsgerechtigden uit “het granieten bestand” bedoeld die “moeilijker aan het werk komen” door “een grotere afstand tot de arbeidsmarkt”. Vanaf 2013 worden echter ook bijstandsgerechtigden met een “minder grote afstand tot de arbeidsmarkt” en baanloze jongeren onder de zevenentwintig ingezet.

Uitrollen

Flextensie weet loonkostensubsidie van de gemeente los te peuteren, omdat het “succesvol” baanlozen die een “grotere afstand hebben tot de arbeidsmarkt” tijdelijk aan de arbeid zou weten te “helpen”. Die bijstandsgerechtigden komen ‘in dienst’ bij Flextensie en worden voor een “inleentarief” aan bedrijven “uitgeleend”.

In 2014 worden voorbereidingen getroffen om Flextensie landelijk uit te rollen. Op 17 november wordt Flextensie Nederland BV opgericht. Het nieuwe bedrijf meldt meteen in een “nieuwsflash” dat het de maanden ervoor intensief heeft samengewerkt met het ministerie van SZW om zo nauwgezet mogelijk te formuleren binnen welke wettelijke kaders gemeenten de Flextensie-methodiek mogen toepassen. Met trots schrijft men dat dit traject begin november succesvol werd afgerond. Flextensie staat dan op eigen benen en is geen onderdeel meer van 12hire BV. Tien dagen daarop presenteert De Visser namens Flextensie, samen met directeur Martin Andriessen van de dienst Sociale Zaken gemeente Den Haag, tijdens het najaarscongres van Divosa (getiteld ”Druk, druk, druk!”) in Zaandam de workshop “Flexibel werk? Pak die kans!”.

Op 10 februari 2015 komt er een structurele samenwerking tot stand tussen Flextensie, Society Impact en de Rabobank. “De stichting Society Impact is een inclusief platform voor samenwerkende partijen – o.a. banken, filantropen, private equity funds, zorgverzekeraars, pensioenfondsen, overheid en ondernemers – om gezamenlijk maatschappelijke urgente vraagstukken aan te pakken via sociaal ondernemerschap.” Daarover meldt Flextensie: “Wanneer Flextensie in een nieuwe gemeente aan de slag gaat, stelt de Rabobank het benodigde werkkapitaal beschikbaar, met commitment van de gemeente. Omdat Flextensie al binnen enkele maanden een break-even operatie kan realiseren en daarna rendement voor de gemeente realiseert, kan de financiering vanuit dit rendement worden ingelost”. De met veel bombarie aangekondigde pilot van Flextensie in de gemeente Zaanstad, die start in januari 2015, blijkt inderdaad op die manier gefinancierd. Ook weet Zaandam een subsidie van het Europees Sociaal Fonds (ESF) los te peuteren van maar liefst 1.013.600 euro. Flextensie is daarmee booming business geworden en wordt landelijk uitgerold.

Huidige stand van zaken

Momenteel hebben al meer dan vijftig gemeenten samenwerkingscontracten afgesloten met Flextensie. Daarbij heeft het bedrijf momenteel “werkgeversafspraken” met een flink aantal organisaties. Van uitzendbureaus (AB vakwerk, Adecco, Luba, Randstad, Start People, Tempo Team, Tence/Actief Werkt, Timing, Werktalent) tot een schoonmaakbedrijf (Asito), een “leverancier van Facility Services” (ISS), een exploitant van lichtmastreclame (npb) en een bedrijf dat onder andere vakantieparken uitbaat (Roompot). Een lijst die ongetwijfeld nog zal groeien.

Flextensie is ook trots op haar partners, waaronder de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU), het eerder genoemde Society Impact, Locus, een organisatie die “werkt aan een duurzame inclusieve arbeidsmarkt”, Staffing Management Service, “de expert voor het optimaal kunnen werken met flexibele arbeid”, NBBU, dat pretendeert “dé brancheorganisatie van professionele intermediairs op de arbeidsmarkt” te zijn, en Connexys, “Nederlands marktleider in innovatieve technologische oplossingen voor het vinden, matchen, selecteren en binden van talent”.

Elke deelnemende gemeente heeft een of meerdere Flextensie-“intercedenten”: personen die bemiddelen tussen baanlozen en bedrijven met vacatures. Daarnaast werken er rondom het hele Flextensie-gebeuren projectleiders, regiomanagers, werkgeversadviseurs, consultanten, accountmanagers, contractmanagers, en penningmeesters. En allemaal verdienen ze een dik belegde boterham aan de onbetaalde en rechteloze arbeid van uitkeringsgerechtigden.

Puk Pent en Bart de Baan

(Overgenomen van doorbraak.eu )